Het tweede leven van Miel Cools

Miel Cools kreeg zijn eerste persartikeltje toen hij vijftien was. Een halve eeuw later staat hij er nog steeds. Hij is één van de weinige kleinkunstenaars, die alle stormen heeft overleefd en die in het gezegende jaar 2000 nog altijd volle zalen trekt. «Pensioen is voor mij een belachelijk woord,» zegt hij. «Ik wil blijven zingen, zolang mijn stem het toelaat en zolang ik kan bewegen. Misschien zal ik wel sterven op een podium.»

BR>

Miel Cools

: «Voor ouders was vroeger het artiestenbestaan een zondig leven. En dat was het in mijn geval soms ook wel.

(lacht)

Het hangt er alleen vanaf wat je onder zonde verstaat. Van iemand die toch doorzette om zanger te worden, mocht je zeker zijn dat hij het in zijn genen had. De echte passie hou je niet tegen.»

«Ik vind niet dat ik een kunstenaar ben. Dat is trouwens een hoogstpersoonlijke kwestie. Als ik Jan Hoet bezig zie, zal dat wel kunst zijn. Maar sorry, ik begrijp dat soort van werken niet. Ik zing die liedjes die ik graag zing en waar ik achtersta, maar ik heb niet de pretentie om dat grote kunst te noemen. Misschien daarom de naam 'kleinkunst'.»

«Ik heb twee overbruggingen gehad, maar ik moet zeggen dat ik me nu beter voel dan vroeger. Achteraf bekijk je de dingen des levens ook totaal anders. Ik heb een bijna-dood-ervaring gehad. Ik zag mijn hele leven in één ogenblik voorbijflitsen. Ik voelde een intense harmonie met alles; het was een zalig gevoel. Die belevenis heeft me veel rustiger gemaakt. Ik heb geen angst voor de dood; ik ben er eerder benieuwd naar.»

'Miel Cools met groot orkest', première op 30 september in Houthalen, 011/60.06.30; 13 oktober, De Markthallen, Herk-de-Stad, 013/55.41.63.