Op bezoek bij Patrick Lefevere in Varano Borghi

Patrick Lefevere runt de komende maanden de wielerploeg met het grootste budget ooit. Hij heeft 400 miljoen ter beschikking en zendt zijn 39 renners uit, die op vier, soms zelfs op vijf fronten knokt. Lefevere dirigeert zijn troepen vanuit de Mapei Village in Varano Borghi. Zijn huis in Oostrozebeke heeft hij verkocht, hij schafte zich een appartement in Roeselare aan, maar in Italië vond hij zijn vaste stek.

Noël TRUYERS

BR>

Het kan niet dat Patrick Lefevere zijn eigen gras afrijdt, want zijn gazon is zo groot als een voetbalveld. Alles eindigt tussen het riet en de watervogels, bij een heel groot meer. Maar eentje zonder motorboten, want die zijn verboden. «Honderd jaar geleden was dit een visrokerij. Ze zetten hier vis en kaviaar op blik. Twee jaar geleden hebben ze er acht appartementen van gemaakt en die huren we integraal af,» vertelt Lefevere, als hij de elektrische poort, die zijn privédomein afsluit, dichtdoet.

Dat hij in Varano Borghi woont, is van moeten, bekent hij. «Toen Meneer Squinzi besliste om drie jaar verder te doen, vroeg hij of ik geïnteresseerd was om manager te worden.

Als ge het doet, moet ge wel in Italië komen wonen. Ik wil dat ge dicht bij alles zijt, ik wil beletten dat ge té veel als Belg handelt. Ik wil objectiviteit,

had hij gezegd. Daarop hebben we onze koffers gepakt, maar dat vond ik logisch. In het voetbal is het dagelijkse kost dat trainers hun boterham in het buitenland verdienen. We gaan hier trouwens als mens beter uitkomen. Ons zoontje gaat perfect Italiaans spreken. Daarbij leven we goed en mijn vrouw is tevreden. Meer heb ik niet nodig.»

Navaro Borghi is een boerengat. Er loopt één grote weg door, de rest is een brok eenvoudige gezelligheid. Een klein centrum, een spoorweg die er middendoor raast, maar overal de Italiaanse hartelijkheid. «Weet je wie in dit dorp woonde? De Witte Dame van Fausto Coppi. Tot ze wegliep en bij Fausto introk. Zie je dat huis daar? Daar woont haar eerste man nog, de dokter,» glimlacht Lefevere die een paar losse stenen in het water trapt. Hij houdt van de nostalgie die verhalen van dit kaliber creëren, maar onmiddellijk wordt hij weer ernstig. «Ik hoop dat onze ploeg gaat schitteren. Vorig jaar was Meneer Squinzi niet ontevreden, maar ook niet helemaal content. Het seizoen was niet slecht, maar ook niet echt goed. De zege van Tafi in Parijs-Roubaix was mooi, maar de Tour had beter gekund.»

«Het zou perfect geweest zijn, moest Tom Steels de gele trui hebben gepakt, maar dan werd Tom gedeklasseerd en was de zaak verbrod. Ik blijf herhalen dat dat oneerlijk was, alleen herdoe je dergelijke dingen niet. Dit jaar pakken we wel geel, hoop ik. Tonkov gaat de Giro rijden, die laten we thuis van de Tour, want ik reken vooral op Bartoli. Voor de eendagskoersen in het voorjaar gaat hij niet klaar zijn, maar voor de Tour wel. Als Vandenbroucke de Ronde kan winnen, zoals ze zeggen, kan Michele dat ook. We gaan via de ploegentijdrit zorgen dat hij met Steels, Nardello en McRae dicht staat in de stand. Klaar om de macht te pakken...»

Lefevere heeft het voor me mekaar, vinden we. «De cols zijn niet veraf, de renners kunnen uren op het vlakke trainen. Voor mij is het belangrijk dat de luchthavens binnen handbereik liggen, het Mapei-trainingscentrum in Castellanza is op twintig minuten. Dit is goed wonen,» glimlacht Patrick, als hij een paar luiken dichtdoet. Hij en Patricia en de kleine Thomas betrekken een woning halfweg. De stenen van het complex zijn gezandstraald, een paar muren beplaasterd, er liggen kasseien, er is een middenpleintje met een grote zwarte lantaarn. Zijn buren zijn de renners McRae en Rodriguez en hun vrouwen. Wegelius en de Hongaar Brozny wonen vijftig meter verder, een trapje omhoog. «Als McRae slim had gekoerst, was hij nu wereldkampioen en niet Freire, maar Oscar luisde ze er allemaal in. Ullrich incluis,» merkt Lefevere op als hij de kleine Amerikaanse vlag passeert die de jonge Amerikaan buiten tegen de muur van zijn flat heeft gehangen.

In de hele blok is nog één appartement vrij en dat gaat Lefevere opnieuw laten inrichten. «We maken er een ontspanningsplaats van voor de renners. Er komen een TV-toestel en een computer met spelletjes en internet. Er staan ook een hometrainer en vier bedden. Als Museeuw, Steels en de andere Belgen hier trainen, hebben ze een vaste stek.»

De appartementen zijn mooi, maar sober: met witte muren en een draaitrap naar boven, met grote ramen, een grote haard, maar alles eenvoudig. «Ik heb geen luxe nodig. Ik ben geen type dat met een Mercedes rijdt. Ik zou het me kunnen permitteren, maar uiterlijk vertoon interesseert me niet. De renners zouden beter ook zo denken. Ze moeten Museeuw kopiëren, met twee voeten op de grond blijven, met een Peugeot rondrijden en geld sparen. Want een carrière duurt niet lang. Pas op, ik zeg niet dat renners te veel geld verdienen, want dat is niet waar. Voetballers wel. Met alle respect voor Enzo Sciffo, maar die maakt bijlange zoveel publiciteit niet als Museeuw. Weet jij welke sponsornamen op zijn trui staan? Ik ook niet...»

Lefevere heeft geen kapsones, hoewel hij een ploeg van 400 miljoen runt. Lefevere is geen dromer, de centen die hij heeft, spendeert hij als een goede huisvader. «Denk niet dat meneer Squinzi zoveel geld investeert omdat hij kickt op coureurs. Hij houdt van wielrennen, ja, maar zijn ploeg is pure business. Alles in verhouding met de grootte van het bedrijf. Een economische wet zegt dat 4 procent van de omzet naar publiciteit moet gaan, Mapei moet bijgevolg 800 miljoen spenderen. De ploeg ontvangt de helft, maar daar krijgt hij veel voor terug. Toen Mapei in 1994 begon, haalde de firma een jaaromzet van 11 miljard. Ondertussen zijn er dat 20. Het heeft niet alles met de ploeg te maken, maar toch een beetje en dat weet de patron.»

Lefevere heeft bewondering voor zijn werkgever, want die was destijds de eerste om de mondialisering van het wielrennen toe te juichen en te benutten. «Meneer Squinzi begrijpt perfect de impact. Mondiaal doet alleen de Formule 1 publicitair beter, maar de wielersport is wel tien keer goedkoper.»

De Mapei-ploeg leiden is zoals schaak spelen, zegt Lefevere. Over elke zet die wordt gedaan, werd nagedacht. «Waarom hebben we twee Amerikanen? Niet voor hun mooie ogen, maar wel omdat 25 procent van de omzet van Mapei in Amerika wordt gehaald. Het Oostblok wordt ook steeds belangrijker, vandaar dat Brozny erbij is. Hele pagina's heeft die al gehad in de Hongaarse kranten. Daarom rijden we dit jaar ook de Vredeskoers. Daarom rijden we de Ronde van Argentinië. Vermits ook Spanje een groeimarkt is, werd Freire aangeworven. Het kan best zijn dat de wereldkampioen tegenvalt, maar dat is het risico waard.»

De dag van Patrick Lefevere begint om half acht 's morgens. Bij het ontbijt, bij een lekkere tas koffie. Als buiten een dichte nevel boven het meer hangt. De luiken gaan open, terwijl de kleine Thomas een boterham met choco eet. Vijf minuten later rinkelt het GSM-toestelletje van Lefevere voor de eerste keer.

Neen, Steels kan niet meedoen aan het

Omnium van de Snelle Pedalen.

Hij heeft verplichtingen in Italië,

horen we. Lefevere knikt, schudt met de schouders. «We moeten het met Tom een beetje anders aanpakken. Je hebt van hem bijlange het laatste nog niet gezien. Hij gaat je nog met verstomming slaan, hij wordt alsmaar sterker, maar hij is er nog niet. Tom kan zich opladen, maar het probleem is zijn concentratie. Tom laat nog té vlug stoom af. Hoe lang is het geleden dat hij nog een behoorlijk naseizoen reed en dat zou eigenlijk niet mogen. Tom staart zich ook té veel blind op Cipollini. Ik vind het niet erg dat hij het showelement van Cipo mankeert, Tom wel, terwijl hij veel andere troefkaarten heeft. Hij heeft de grootste en mooiste

kattenjump

van alle spurters. Het rare is dat Tom in het dagelijkse leven de antipool is van een sprinter. Tot de adrenaline hem behekst, dan ondergaat hij een complete metamorfose,» lacht Lefevere.

Patrick eet niet veel, hij drinkt wel een stevige tas koffie. «Ze zeggen dat Johan Museeuw zijn laatste seizoen begint,» mijmert hij, maar daar is hij niet zeker van. «Van mij mag hij tot eind 2001 verder doen. Financieel moet hij geen stap terugzetten. Al was het maar uit appreciatie voor wat hij voor de ploeg heeft gedaan. Als wereldkampioen was Johan destijds trouwens onderbetaald, terwijl hij volgend jaar misschien iets te veel ontvangt, hoewel ik daar niet zeker van ben. Hij kan nog heel gevaarlijk uit de hoek komen. Misschien wint hij dit jaar opnieuw Parijs-Roubaix,» hoopt Lefevere.

Het tweede deel van het ontbijt verloopt sneller, want de kleine Thomas moet naar school. Hij heeft al zijn blauw voorschotje aan, want dat is in het kleuterklasje het verplichte uniform. De mama schuift er vlug een jasje over, terwijl de papa de motor van de Mapei-volgwagen doet draaien. De juf van Thomas is een zuster uit Peru, iemand die haar job met heel veel liefde doet. «Ik houd ook van mijn job, maar ik dweep er niet mee. Ik word nooit met genoegdoening wakker dat ik aan de top sta. Hoewel dat wel het geval is. Ik heb dat duidelijk gevoeld toen hier eind vorig jaar 30 jonge renners testten voor tien plaatsjes bij onze jongerenploeg. Hypernerveus waren ze, sommigen hadden de nacht voordien geen oog dichtgedaan.»

Als Lefevere het klasje van Thomas binnenwandelt, komen de zusters naar hem toe. «Thuis wil Thomas geen Italiaans spreken,» zegt hij, maar de juffrouw sust dat dat normaal is. «Hij kan het nochtans heel goed,» zegt ze. Lefevere glimlacht en streelt zijn zoontje door de haren. «De zuster speelt het tactisch,» lacht hij en voegt eraan toe dat dit een kwaliteit is die hijzelf ook beheerst. «Ik kan een koers lezen, maar ik heb wel de renners nodig om uit te voeren wat ik aanvoel. Toen ik zelf fietste, wist ik het ook allemaal, maar ik mankeerde de motor en de benen om één en ander in praktijk om te zetten.»

«Ik kan motiveren,» klinkt het vastberaden, als Patrick Thomas een kus geeft en het klasje verlaat. Hij krijgt een tekening mee. «Ik kan motiveren, maar niet met peptalks of met op tafel te kloppen, maar wel door te luisteren. Het is belangrijk dat je op het juiste moment de juiste dingen zegt. Ik heb dat geleerd van mijn vader. Pa had een groot bedrijf, maar dan ging hij failliet. Daarmee wist ik dat ik me harder moest opstellen. Voor het overige ben ik nogal zacht, denk ik. Vraag maar aan mijn vrouw. In de tien jaar dat we samen zijn ben ik nog geen enkele keer kwaad geweest. Een donderspeech kan ik bijgevolg niet geven. Ik zou uit mijn rol vallen, maar als er beslissingen moeten genomen worden, ben ik kordaat. Dan aarzel ik niet. Zoals in de Parijs-Roubaix die Johan Museeuw won. Toen ze met z'n drieën samen naar de streep reden. Ik heb toen beslist dat Johan zou winnen, niet meneer Squinzi, zoals altijd wordt gezegd...»

Patrick Lefevere is begin januari 45 jaar geworden. De grijze haren waren er voordien al, nu kwam er het besef bij dat hij het leven dat hij nu leidt niet tot in de eeuwigheid ondergaat. «Want ik word geleefd. Na 2001 laat ik dat niet meer toe. Mapei zal wellicht verder sponsoren, maar zonder mij,» klinkt het resoluut. Patricks vrouw Patricia twijfelt eraan, wij ook, maar Lefevere zelf niet. «Financieel kan ik het me permitteren van een tijdje niets te doen. Ik ga reizen. Ik wil Afrika zien, ik wil naar Vietnam, want ze zeggen dat het daar zo mooi is. Ik wil naar Tahiti, want dat is iets dat al dertig jaar door mijn hoofd spookt. Toen ik als kleine gast op TV naar die pirantenfilms keek. Ik vond de eilandjes van de zeerovers schitterend. Jacques Brel is er gestorven, Marlon Brando heeft er gewoond,» lacht de manager. Hiermee komt de romanticus in hem boven.

«Ik houd van een goed glas wijn, ik apprecieer een goed boek,» glundert Patrick, maar dan bekent hij dat de job vooral fysiek zwaar wordt. «Ik sukkel met mijn rug, zoals een kar die kraakt, hé. Een beetje zoals mijn moeder. 72 jaar is ze ondertussen, maar ze heeft al een plastieken heup van haar 42ste. Maar ze leeft nog, terwijl mijn vader al dood is van zijn 53ste. Hij stierf 's morgens om vier uur. Aan leverkanker, terwijl vier uur later mijn zoon Dieter werd geboren. Veel verdriet en veel vreugde op dezelfde dag. Om maar te zeggen dat alles relatief is. Zoals een koers winnen of verliezen.»

De nacht valt over Varano Borghi. Patrick Lefevere zit in zijn zetel, de kleine Thomas springt er honderd keer in en uit. Tot hij op zijn hoofdje valt en de mama drastisch ingrijpt. Lefevere gaat even naar buiten, het is muisstil, maar dan krijsen een paar watervogels. «Ik ben blij dat 1999 voorbij is, want dat was niet direct een goed jaar. Door een paar sterfgevallen in de familie. De zus van mijn vrouw is bijvoorbeeld verongelukt,» vertelt hij. Dat zorgde voor lange gesprekken over de zin van het leven. «Als ik stop, ben ik te jong om niets te doen, maar ik ga wel uitkijken voor ik wat anders aanpak. Misschien word ik PR-man. Ik zou vanalles kunnen doen. Ik zou een goed auto-verkoper zijn... Mijn vader had een autokerkhof. Ik kon al auto rijden toen ik vijf jaar was. Ik speelde stuntman. De auto kantelen en op twee wielen rijden, van die dingen. Ik zou voor co-sponsor Latexco eventueel prospectie kunnen doen in Amerika. Ik zeg maar wat. Eén ding weet ik zeker: geld zal nooit een drijfveer zijn. Het zou me spijten moest ik later op het kerkhof de rijkste zijn.»