Jonge beursgangers tarten economische tradities

Meer dan 40 procent van alle Belgische beursgenoteerde bedrijven, heeft tot de laatste vier jaar van het vorige millennium gewacht voor ze naar de beurs gingen. 1999 was met 24 nieuwkomers een absoluut recordjaar. Het gaat vooral om jonge bedrijven, die kleinere bedragen ophalen, gemiddeld hogere rendementen boeken, maar ook hogere risico's lopen. De studiedienst van de KBC verwacht dat het aantal beursnoteringen nog zeker 10 jaar zal aanhouden.

Kurt MEERS

BR>

Uiteraard kiezen de meeste bedrijven voor een beursgang op een moment dat het beursklimaat gunstig is. Toch is het opvallend dat zowel in 1928 als in 1986 de piek in het aantal beursintroducties werd gevolgd door een beurscrash

(zie grafiek)

. Zonder daaraan conclusies te koppelen, is het aantal beursintroducties de afgelopen 4 jaar nooit hoger geweest. Van de 165 Belgische beursgenoteerde bedrijven, werden er 70 geïntroduceerd sinds 1996. Ook nu is er een samenhang vast te stellen tussen dit verhoogde aantal en de hausse van de totale marktindex. «Wij denken dat de structurele veranderingen die de recente introductiegolf in de hand gewerkt hebben, het eindstadium nog niet bereikt hebben,» zegt Edwin De Boeck, directeur Economie en Statistiek bij de KBC Bank. «Het ziet er naar uit dat het aantal beursintroducties zich in de eerstkomende jaren zowel in België als in de rest van continentaal Europa zal handhaven.» De Boeck baseert zich hiervoor op het succes van nieuwe sectoren zoals internet, op de golf van schaalvergrotingen, de privatiseringen en de beurssegmenteringen, zoals de oprichting van EASDAQ of Euro.NM.

Onderwaarderen

Uit een studie die KBC over de beursintroducties uitvoerde, blijkt dat de gemiddelde leeftijd van de recente beursgenoteerde bedrijven 17,6 jaar bedraagt. In de tien jaar voor 1995 waren het vooral rijpe, stabiele bedrijven, met een gemiddelde leeftijd van 41,5 jaar, die kapitaal ophaalden via een beursgang. De 70 ondernemingen die sinds 1996 genoteerd staan, haalden gemiddeld 2,4 miljard frank op, terwijl dat in de periode '84-'95 nog 4,3 miljard bedroeg. «Terwijl vroeger vaak voor een beursgang werd gekozen om de opvolging in een familiebedrijf te regelen, stappen jonge bedrijven nu naar de beurs om hun groeistrategie te financieren,» aldus De Boeck. Het initieel rendement (na de eerste beursdag) lag gemiddeld veel hoger bij de meest recente introducties (15,25% tov 9,38 in de periode tot '95). Bij de hoogtechnologische beursgangers was dit percentage nog eens het dubbele (32,05%).

Volgens de KBC Bank heeft dit te maken met de

underpricing

van het aandeel bij de introductie. «Een lagere inschrijvingsprijs dan de werkelijke waarde lokt niet alleen beleggers, maar geeft meer groeimogelijkheden, wat goed is voor het imago van de beursganger en de begeleidende beursvennootschap,» zegt Edwin De Boeck. Het rendement op lange termijn (2 weken tot een jaar na introductie) ligt gemiddeld eveneens veel hoger bij de recente beursnoteringen, en dan vooral bij de hoogtechnologische waarden.

Inhaalbeweging

De KBC merkt bij al deze euforische gegevens op dat de bedrijven die sinds 1996 naar de beurs stapten een veel hoger risico lopen om het slechter te doen. Meer dan de helft van die introducties (39 op 70) scoorde eind 1999 qua rendement immers slechter dan de markt. In ruim een derde van de gevallen (26 op 70) zakte de notering eind 1999 zelfs onder de introductieprijs. Vooral de niet-hoogtechnologische ondernemingen die in 1999 voor een beursgang opteerden, scoorden slecht.

Ondanks dat alles denkt de KBC Bank dat de 24 introducties van vorig jaar in 2000 nog overtroffen zullen worden. De Boeck verwijst daarbij naar de inhaalbeweging die de Europese Muntunie op dat vlak heeft ingezet ten opzichte van de Verenigde Staten.