Patrick Teppers (STVV) blikt terug op 399 matchen in eerste klasse

Print
Met de komst van Club Brugge krijgt STVV bij aanvang van de terugronde meteen een klepper van formaat voorgeschoteld. De 4-0 nederlaag uit de heenmatch ligt de Kanaries nog altijd zwaar op de maag. Ze vormde immers de inleiding tot een compleet mislukte start. Een klinkende revanche is op zijn plaats en zou in eerste instantie Patrick Teppers plezieren. De 35-jarige Bocholtenaar heeft immers iets te vieren. Hij betwist vanavond zijn 400ste wedstrijd in eerste klasse.
BR>Een lustrum dat maar voor weinigen is weggelegd. Echt de top bereiken, zat er voor 'Patje' nooit in. Maar hij groeide wel uit tot een gedegen, alom gerespecteerde subtopper. Met als belangrijkste troeven: een enorm loopvermogen en een verschroeiende linker. Zijn voorbeeldige ingesteldheid deed de rest. Een onvertogen woord was aan hem niet besteed. Logisch gevolg: «Ik heb overal veel vrienden gemaakt. Geeft me een lekker gevoel.» Eén constante ook: telkens hij een club verliet, zakte die als een pudding in mekaar. Lozen, Winterslag, Waregem en Seraing degradeerden of hielden op te bestaan. In Sint-Truiden, waar Teppers nog tot volgend jaar onder contract ligt, weten ze wat hen te doen staat. Een terugblik.

1972: Lozen


«Ik was voorbestemd om voetballer te worden. Pa trainde de jeugd bij Lozen, hij nam me altijd mee achter op de fiets. Op mijn achtste - vroeger mocht niet - tekende ik mijn aansluitingskaart. Makkelijk had ik het niet bij de jeugd. Ik was zowat de kleinste van de bende. Maar ik kon wel aardig tegen een bal shotten, had toen al een uitstekende traptechniek. Daar plukte ik de vruchten van. Ik scoorde veel. Vier, vijf goals in één match, het was geen uitzondering. Zo herinner ik me bij de miniemen een derby tussen Lozen en Bocholt. Speelden we voor rust bij stormweer windaf. Zorgde ik in m'n eentje voor 5-0 cijfers. Maar de tweede helft verliep desastreus. We gingen uiteindelijk nog met 5-6 de boot in.
Mijn debuut in de eerste ploeg maakte ik op m'n zestiende tegen Verbroedering Lommel. We wonnen met 5-0, ik pikte als invaller meteen mijn goaltje mee. Drie seizoenen en twee kampioenstitels later had ik verschillende aanbiedingen op zak. Zo weet ik nog dat ik in de slotmatch van de competitie tegen Wijshagen gescout werd door Winterslag en Beveren. Na die wedstrijd vond ik een briefje van Winterslag-secretaris Jan Voortmans achter de ruitenwisser. Ik moest hem bellen. Binnen de kortste keren was de transfer in kannen en kruiken. Een keuze die ik me nooit beklaagd heb, ook al speelde Beveren toen in eerste klasse en was Winterslag net gedegradeerd.»
Na zijn vertrek degradeerde Lozen onmiddellijk naar derde provinciale.

1984: Winterslag


«Ik moest vrede nemen met een contract als niet-amateur. Dat leverde de nodige problemen op. Ik moest stoppen met stempelen. Maar van het voetbal alleen kon ik niet leven. Drieduizend frank per punt kreeg ik. Via een interimbureau ben ik dan terechtgekomen op het kookpottenfabriek van Reppel. Vergieten maken, stempels zetten, zware arbeid was het niet. Maar de combinatie met het voetbal was niet eenvoudig. 's Morgens om half acht begon mijn dagtaak, 's avonds rond acht-negen uur kwam ik weer thuis.»
«In die tijd had Winterslag een stevige ploeg. Mathijssen, Nilis, De Raeve, Piet Kuypers, Englebert, Hutka, Thieu en Pierre Denier, met al die mannen heb ik gevoetbald. Alleen was Winterslag een club met weinig centen. Jaar na jaar vertrokken de beste elementen. We moesten telkens opnieuw beginnen. Desondanks bereikten we drie seizoenen na mekaar de eindronde. Maar pas de derde keer was de goede. Wat me is bijgebleven van die periode, zijn de bikkelharde derby's met Waterschei. En, uiteraard, mijn slotwedstrijd. In Harelbeke zorgde ik met een goal en twee assists voor de promotie. Onder de ogen van Germain Landsheere, de grote baas van Waregem, en trainer Urbain Haesaert.»
Die haalden Teppers over de brug. Een jaar later fuseerde Winterslag met Waterschei.

1987: Waregem


«Ik had mijn eerste profcontract beet. Maar de aanpassing verliep niet van een leien dakje. Ik was pas getrouwd, kwam in Waregem op een appartementje terecht. Was wel even slikken. Maar ik werd er uitstekend opgevangen. Landsheere had het voor Limburgers, hij had ook Karagiannis en Borkelmans al weten te strikken. Het werden uiteindelijk zes seizoenen met wisselend succes. Waarvan ik vooral het goede heb onthouden. In mijn eerste jaar aan de Gaverbeek pakten we een Europees ticket. Enkele maanden later droogden we thuis het Noorse Molde af met 5-0. Ook mijn slotjaar was schitterend. Wonnen we uit bij Anderlecht, Standard en Brugge, bereikten we de halve finales van de Beker van België en maakte ik de Pot-Top van het jaar.
Alleen voelde je toen al dat Waregem het moeilijk had om de touwtjes aan mekaar te blijven knopen. Toen Seraing kwam aankloppen, zei Landsheere: Je vertrekt op een goed moment. Zijn woorden waren profetisch. Het ging snel bergaf met Essevee. Jammer. Vooral voor mijn zoon Nino, die ginds geboren is. Hij blijft Waregem op de voet volgen.»

1993: Seraing


«Ik sprak geen woord Frans. Maar dat hoefde ook niet echt. Voorzitter en mecenas Blaton had een uitgebreide kolonie Vlaamse voetballers in dienst. Karagiannis, Olivieri, Schaessens, Debusschere, later Marc Huysmans. Een schitterende ploeg was het. Met balgoochelaars als Edmilson, Wamberto, Isaias, Lukaku. In mijn eerste seizoen deden we lang mee voor de titel. Maar puntenverlies tegen de mindere goden deed ons stranden op de derde plaats. Genoeg voor de Uefa-cup. Maar precies dat Europees voetbal versnelde de ondergang. We gingen er in de eerste ronde ongelukkig uit tegen Dinamo Moskou en misten zo een duel met Madrid. De concurrentie met buur Standard was moordend, er kwam nauwelijks volk over de vloer. De gevolgen zijn bekend. Na de ambitieuze Heylens werd Thissen trainer. Afzien als de beesten was dat. Op den duur hadden we nauwelijks nog fitte spelers. Manu Ferreira nam nog over. Maar de situatie was niet langer houdbaar. Standard slorpte Seraing op. Een einde in mineur. Zelf mocht ik uitkijken naar een andere ploeg. Dat werd Sint-Truiden.»

1996: Sint-Truiden


«Ik kwam hier op een goed moment terecht. Het gerommel op bestuurlijk vlak was achter de rug, de eerste stappen richting professionalisme werden gezet. Zonder slag of stoot ging dat niet. Ik ben na Sleurs, Smets, Mangelschots, Hulshoff en Peeters intussen aan mijn zesde trainer toe. Maar ik voel me hier toch gelukkig. En blijkbaar is ook het bestuur blij met mijn inbreng. Anders had ik onlangs geen contractverlenging gekregen. Hopelijk kan ik Sint-Truiden nog tot volgend jaar de nodige diensten bewijzen. Dan kan ik met grote voldoening terugblikken op een lange staat van dienst in eerste klasse. Ik heb van mijn hobby mijn beroep kunnen maken, heb overal goed mijn boterham verdiend en ben gespaard gebleven van ernstige blessures. Wie kan dat nog zeggen? Eigenlijk is er maar één minpunt. Ik heb nooit een bekerfinale gespeeld. Als dat nog zou kunnen...»