Half miljoen Belgen kan geleend krediet niet terugbetalen

Hoewel het aantal bestaansminimumtrekkers dit jaar voor het eerst lichtjes is gedaald, leeft nog steeds 7,7 procent van de Belgische huishoudens onder de armoedegrens. Armoede is en blijft vooral een stedelijke problematiek. In Oostende en Gent ligt dat cijfer met respectievelijk 16,5 procent en 15,7 procent iets hoger. Deze cijfers liggen driemaal hoger dan het gemiddelde voor Vlaanderen, dat 4,9 procent is. In Wallonië ligt het aantal bestaansminimumtrekkers in de verstedelijkte gebieden nog een flink stuk hoger. In Luik alleen al geniet 32 procent het bestaansminimum. Dat staat in het achtste jaarboek 'Armoede en sociale uitsluiting', dat dinsdag in Antwerpen werd voorgesteld.

BR>

De armsten zijn er sinds 1992 niet meer op vooruit zijn gegaan. «In tegenstelling tot de rijkste Belgen, samen goed voor 10 procent van de huishoudens,» zegt Jan Vranken, één van de auteurs van het jaarboek. «Tussen '84 en '94 steeg hun vermogen van 46,8 tot 49,6 procent. Daarmee bezitten zij samen bijna de helft van het totale vermogen van de Belgische gezinnen.»

Het aandeel van de 10 procent armste huishoudens bedraagt amper één procent. Nog een opmerkelijk gegeven, hoewel niet nieuw, is het aantal mensen dat betalingsproblemen heeft. Dat zijn er ruim 488.000 dit jaar. De grootste groep, ruim 398.000, heeft moeite om zijn consumentenkrediet af te betalen. Dat wil zeggen afbetalingen op koelkasten, auto's en andere gebruiksartikelen.

Volgens Dirk Geldof, mede-auteur, is een bezinning over het thema armoede op zijn plaats. «We drijven nog steeds op het sociaal pact dat in 1944 werd afgesloten en de maatschappelijke zekerheid van arbeiders garandeerde. Maar toen was er geen specifiek armoedeprobleem. Misschien is er nood aan een nieuw sociaal contract,» opperde Geldof.

Jan Vranken pleit op zijn beurt voor een ander armoedebeleid. «Misschien wordt het tijd om een armoede-effectenrapport te maken. Op basis van die gegevens kan dan een beleid worden uitgestippeld. Met zo'n rapport kunnen maatregelen getoetst worden aan de realiteit. Hebben ze kans op slagen of niet. Nu is het zo dat pas achteraf blijkt of een maatregel succes heeft of niet. Maar dan zijn de centen reeds uitgegeven.»

Verder vindt Vranken dat armoedebeleid verder gaat dan initiatieven van de betrokken ministeries. «Dat is een, noodzakelijk, beleid op korte termijn. Op lange termijn met alle sectoren gewerkt worden aan een coherent armoedebeleid. Het heeft geen zin een tewerkstellingsprogramma op te zetten, als de deelnemers een jaar later weer op de straat staan,» besluit Jan Vranken.