Kinderarbeid in Azië daalt licht

Print
De kinderarbeid in Azië neemt weliswaar af, maar niet erg snel. Ruim 122 miljoen Aziatische kinderen, bijna de hele bevolking van Japan, gingen in 2004 niet naar school maar verdienden de kost, blijkt uit cijfers van de ILO, de VN-organisatie voor arbeidszaken. In 2000 werkten in Azië vijf miljoen kinderen meer.
Hoewel de meeste ouders willen dat hun kinderen naar school gaan, kunnen ze dit vaak niet betalen, aldus de ILO. Dus worden veel kinderen te werk gesteld in mijnen, de landbouw, fabrieken of op straat. Vooral in Zuid-Azië - in Afghanistan, India, Pakistan, Bangladesh en Sri Lanka - is de situatie schrijnend. Nepal spant de kroon. Bijna 40 procent van de kinderen tussen de 10 en 14 jaar werkte daar in 2004. In 1990 was dat overigens nog bijna 50 procent.
In Mongolië is kinderarbeid een nieuw verschijnsel. Vóór 1990, toen het land communistisch was, kwam kinderarbeid er niet voor; momenteel werken elke zomer tot tienduizend kinderen in illegale goud-, kolen- en mineralenmijnen. Niet alleen de overgang naar het kapitalisme is hiervan de oorzaak, ook de verwoesting van de manier van leven van veel herders speelt mee. Hevige winterstormen hebben de veestapel in Mongolië zwaar getroffen.