Wat hebben quasars met de Oerknal te maken?

Print
Op 19 augustus stond er in de krant een stukje over Amerikaanse astronomen die zich al drie jaar lang het hoofd breken over een vreemd lichtpuntje. Een lichtpuntje dat helemaal anders is qua opbouw. In het vakjargon: helemaal anders qua spectrum. En dan komt het. «Sommige wetenschappers denken dat het om een speciaal soort quasar gaat.» Waarop elektronische krant-lezer Tom Bal uit Niel, kort op de bal, zo is-ie, reageert met een vinnig e-mailtje: «Beste redactie, voor de niet-astronomen onder ons is het misschien nuttig om te vertellen wat quasars zijn.» Wel, beste Tom, je hebt helemaal gelijk. Duizendpoot trekt zijn ruimtepak aan en spoedt zich out there, op zoek naar het licht. Zij het dan quasar-licht.
BR>
Voor we domme dingen doen, toch eerst eventjes opzoeken wat van Dale vertelt. Quasar is gevormd uit het Engelse Quasi stellar radio source. Hallo, van Dale? «Een sterachtige» staat daarin en verderop «sterke radiofrequentiestraling producerende objecten met een relatief grote helderheid in het blauwe en ultraviolette deel van het spectrum.»
«Juist ja,» krabben we in ons haar, grijpen naar de telefoon en horen gelukkig de stem van Johan Gijsenbergs, uitgeweken Limburger in Amsterdam. Gijsenbergs is programmaleider van het planetarium in Artis. «Kijk,» stelt hij ons meteen gerust, «die Quasi Stellar-benaming stamt nog uit het begin van de jaren zestig. Men dacht wel dat het sterachtigen waren, maar omdat ze zo ver verwijderd waren, vond men ze toch hoogst verdacht en daarom heeft men ze 'quasi-sterren' genoemd.»

Tijdmachine


Onze kosmos is machtig interessant, maar ook machtig moeilijk om te vatten. «Vinden wij ook, hoor,» lacht Gijsenbergs. «Zelfs bij astronomen duizelt het nog regelmatig. Neem nu Einstein. Het revolutionaire van Einsteins relativiteitstheorie blijft nog altijd het inzicht dat tijd en ruimte synoniemen zijn. Je weet dat wel, maar het blijft onwezenlijk, onvoorstelbaar. Licht reist door het heelal, licht heeft haar snelheid. En zonder het licht zien we niets en weten we bijgevolg dus niets. Zonlicht doet er bijvoorbeeld acht minuten over om tot hier te raken.»
«Van die quasars, van die lichtgevende objecten, weten we dat het licht ervan miljarden lichtjaren nodig heeft om tot hier te raken. Een lichtjaar is, zoals je weet, de afstand die het licht aflegt gedurende één jaar. (9,46 biljoen kilometer of 9.460.000.000.000 kilometer, red.). Met andere woorden, het heelal is een gigantische tijdmachine. Hoe verder je kijkt in de ruimte, hoe dieper je in het verleden kijkt. Anders gezegd: als je in het heelal kijkt, kijk je op een toestand zoals ze was. Niet zoals ze is. En hoe verder je kijkt, hoe verder je teruggaat in de tijd. En precies daarom zijn quasars zo interessant. Het levert ons informatie over het begin van het heelal.»

Baby-sterretjes


«Ruimtetelescoop Hubble levert ons momenteel de meest verre informatie op. Nu kunnen we 14 tot 15 miljard lichtjaren ver kijken. En aangezien de ouderdom van het heelal geschat wordt op zo'n vijftien tot twintig miljard jaar zitten we met die quasars dicht te kijken op de oorsprong van het heelal. Omdat een quasar niet zomaar een sterretje is, maar juist heel helder licht geeft, denkt de wetenschap nu dat quasars heel actieve en dus heldere kernen zijn van jonge sterrenstelsels. Quasars zijn sterrenstelsels die aan het ontstaan zijn, die geboren worden. Alleen weten we nog niet of het individuele sterren zijn die zich aaneenklitten tot een sterrenstelsel of dat het sterrenstelsel uiteenvalt in aparte sterren.»
«Quasars zijn wellicht ook interessant voor de beruchte zwarte gaten. Vermoedelijk bevinden zich in de kernen van quasars superzware zwarte gaten. Dat is materie die zo enorm veel zwaartekracht uitoefent dat die als een reusachtige stofzuiger alles opzuigt. Die zwaartekracht is zo sterk dat er zelfs geen licht kan ontsnappen.»

Big Bang


De onvermijdelijke vraag. Komen we dan met quasars in de buurt van de Big Bang? «Het is maar wat je 'in de buurt' noemt,» grapt Gijsenbergs. «Het is wetenschappelijk onmogelijk ooit zo ver te kunnen kijken dat we de Big Bang, de Oerknal, zelf zouden kunnen zien. Om de simpele reden dat de eerste driehonderdduizend jaar na de Big Bang er geen licht kan geweest zijn. Voor de Oerknal was er geen tijd, was er geen ruimte. Chemisch gezien is er na de Oerknal minstens driehonderdduizend jaar nodig geweest vooraleer lichtdeeltjes, de zogenaamde fotonen, zich hebben kunnen vormen uit de zogenaamde quarks, de eerste en kleinste deeltjes in het universum.»
En toen was er ineens die stekende hoofdpijn.