"Jarenlang te weinig aandacht voor terreur"

De Verenigde Staten hebben jarenlang te weinig aandacht gehad voor de gevaren van het terrorisme, maar kort voor de aanslagen van 11 september 2001 begon daar verandering in te komen. Dat heeft de nationale-veiligheidsadviseur van president George Bush, Condoleezza Rice, donderdag verklaard voor de commissie die de aanslagen van 11 september onderzoekt.

AP Ned

Een week voor de aanslagen, op 4 september 2001, legden Rice en haar medewerkers de laatste hand aan het eerste grote beleidsdocument op veiligheidsgebied van de regering-Bush. Onderwerp: de uitschakeling van Al-Qaida. Er was toen geen meesterzet mogelijk die ineens alle plannen van Al-Qaida doorkruiste, zei Rice. De VS hadden de aanslagen alleen kunnen voorkomen als er meer informatie voorhanden was geweest.

Rice las voorbeelden voor van de flarden die de inlichtingendiensten in het voorjaar en de zomer van 2001 hadden opgepikt: "Ongelooflijk nieuws in de komende weken. Aanslagen in de nabije toekomst." Uit niets viel volgens Rice af te leiden waar, wanneer en hoe de aanslag zou plaatsvinden. Volgens Rice werden de inlichtingendiensten bij het verzamelen van informatie gehinderd door "organisatorische en juridische beperkingen".

Naar Rice' verklaring was lang uitgezien. Aanvankelijk was het Witte Huis niet van plan haar in het openbaar en onder ede te laten getuigen. Dat veranderde nadat vorige maand Richard Clarke voor de commissie was verschenen. Clarke, voormalig hoofd terreurbestrijding van het Witte Huis, verweet de regering-Bush dat zij minder aandacht had voor Al-Qaida dan de regering-Clinton. Bush en zijn ministers waren vanaf het begin bezig met de voorbereiding van een oorlog tegen Irak, zei Clarke, en die oorlog heeft de terroristen alleen maar gevaarlijker gemaakt.

Rice moest op vragen van de Senaatscommissie toegeven dat zij eerder ten onrechte heeft gezegd dat de Amerikaanse regering nooit aanwijzingen had gehad dat terroristen vliegtuigen als wapens zouden gebruiken. Nadat zij dat had gezegd wezen medewerkers haar erop dat daar wel degelijk rapporten en memo's over waren geschreven, alleen had Rice die nooit onder ogen gehad omdat de inlichtingendiensten haar er niet attent op hadden gemaakt.

Volgens critici miste Rice, van huis uit Rusland-expert, de achtergrond om de gevaren van terrorisme goed in te schatten. Clarke schrijft in zijn boek, Against All Enemies, dat Rice keek alsof ze nog nooit van Al-Qaida had gehoord toen hij haar in het voorjaar van 2001 uitlegde hoe gevaarlijk het netwerk van Osama bin Laden was. Volgens Clarke had Bush geen betere voedingsbodem voor terreurorganisaties als Al-Qaida kunnen kweken dan door een olierijk, Arabisch land als Irak aan te vallen.

Clarke heeft onder meer gezegd dat Bush hem onder druk heeft gezet om een verband te vinden tussen de aanslagen en Irak, om zo een reden te hebben een oorlog tegen Irak te beginnen. Rice zei zich een dergelijk gesprek niet te kunnen herinneren. "Ik ben er zeker van dat de president nooit iemand heeft aangespoord om feiten te verdraaien."

Rice uitte geen kritiek op Clarke. Zij was zelfs complimenteus over hem. Dat Clarke onder Clinton had gediend en onder Bush gewoon aan mocht blijven, is ongebruikelijk. Rice zei dat zij Clarke wilde houden omdat hij "een expert op zijn terrein" is, en bovendien "een ervaren crisismanager". Clarke bood het Amerikaanse volk tijdens zijn getuigenis zijn excuses aan omdat hij de aanslagen op het WTC en het Pentagon niet heeft weten te voorkomen en dus als terreurbestrijder heeft gefaald.