Rode Lantaarn Jay Sweet: twaalfduizend frank prijzengeld

Print
SAINT-GAUDENS - Jay Sweet is de Rode Lantaarn in deze Tour, de allerlaatste in de stand op bijna drie uur van Lance Armstrong. 's Morgens sukkelt de tengere Australiër door een zware ontsteking aan de hiel de trappen van de Big Mat-bus af, hijst zich op zijn fiets en begint te trappen. Constant moet hij lossen, zijn leven is een hel van afzien en op de tanden bijten, maar hij geeft niet op. «Als ik de Pyreneeën overleef, haal ik Parijs,» verzekert hij.
BR>
Sweet is 23. Hij heeft rosse haren, een gouden oorbel links, een vriendelijke blik. Zijn prijzenpot tot dusver is heel magertjes: 12.000 frank want in één etappe werd hij tiende. Sindsdien harkt hij haast elke dag achter de grote groep over de streep. «Geld interesseert me op dit moment niet. Ik ben nog jong. Ze zeggen altijd dat je Parijs moet halen om echt renner te worden. Volià, dat wil ik doen. Binnen twee à drie jaar krijgen Tom Steels en Mario Cipollini een zware klant aan mij, want ik kan spurten. Alleen kan ik het nog niet tonen,» jammert Jay.

Appartementje


Dat hij de centen ontbeert voor een rijkelijk leven, vindt Jay Zoet niet erg. «Ik ben de zoon van een bulldozerchauffeur. Mijn moeder doet in dezelfde bouwfirma bediendenwerk en ik wil renner worden,» herhaalt Jay. Om de kosten een beetje te drukken huurt hij een apartementje samen met Jens Voigt. «In de buurt van de Pyreneeën waar we vaak trainen om sterker te worden. Jens en ik zijn boezemvrienden. We fietsten destijds bij dezelfde amateurploeg. Jens rijdt ook mee in deze Ronde. Hij is nu heel bezorgd om mij. Constant komt hij vragen of ik nog verder kan. Maar niet getreurd. Rode Lantaarn zijn is niet slecht. Ele dag komen journalisten praten, ik kom op TV, ik krijg veel aanmoedigingen. Mensen kiezen voor de underdog, weet je?»

Tenten


Maar fietsen is nu afzien. «Elke finale rijd ik alleen. Van het moment dat het peloton vijftig per uur haalt, moet ik lossen. In de cols kan ik omwille van mijn voet helemaal niet mee. Vooral de rit naar Sestrières was een ramp. Wat me toen in de koers hield, waren de hagelbuien. Hierboven willen ze blijkbaar dat ik opgeef, maar dan kennen ze me niet, dacht ik en ik beet nog feller op mijn tanden. Ik kwam toen drie minuten buiten de tijdsgrens toe, maar ik mocht verder doen. Omdat de mensen al hun frigoboxen wegstopten en hun tenten afbraken, toen ik passeerde. Je bent te vaak opgehouden, zei Jean-Marie Leblanc. «Weet je wat me opbeurt. Dat de gele trui elke dag informeert hoe het met mij gaat...»