Satelliettelefoons in Irak kunnen bakens voor bommen worden

Als de netwerken voor vaste en mobiele telefoons in Irak na een Amerikaanse aanval plat liggen, kan daar een sterke stijging verwacht worden in het gebruik van satelliettelefoons. Maar nu het Amerikaanse leger met signaalzoekers op de loer ligt om via diezelfde satellietverbindingen Iraakse commandanten op te sporen, vrezen militaire experts dat telefoongesprekken van burgers gaan fungeren als bakens voor bommenwerpers.

AP Ned

Het Amerikaanse leger wil niet vertellen hoe het er precies in slaagt om mensen via hun satelliettelefoon op te sporen. Bedrijven die de telefoons maken, zeggen niet te weten hoe het leger daarin slaagt. Duidelijk is evenwel dat de technologie niet alleen mogelijk is, maar ook steeds beter wordt.

Het Amerikaanse leger houdt vol dat zijn aandacht uitgaat naar infrastructuur en materiaal en niet naar individuen. Toch hebben ze journalisten en andere buitenlanders de raad gegeven voor hun veiligheid het land te verlaten. Volgens het Iraakse ministerie van informatie zijn er nog zo'n 300 buitenlandse journalisten in Bagdad, de op eigen houtje of met coalitietroepen meereizende verslaggevers niet meegeteld. De meeste onder hen maken gebruik van satelliettelefoons.

Naarmate de dreiging van een Amerikaanse aanval toenam, zagen aanbieders van satelliettelefonie zoals het Britse Inmarsat, het Amerikaanse Iridium Satellite of Thuraya uit de Verenigde Arabische Emiraten, het aantal abonnementen en het gebruik stijgen. Dinsdag meldde Inmarsat dat het zijn vijfde satelliet in gebruik nam om het eigen netwerk, dat vooral vanwege het versturen van videobeelden overbelast dreigde te raken, wat te verlichten.

Aanbieders beweren dat ze niet over de technologie beschikken om de locatie van een beller tot op meer dan een paar kilometer vast te stellen. Iridium zegt zelfs dat zijn systeem niet dichter komt dan een gebied zo groot als de staat Arizona, bijna zeven keer de oppervlakte van Nederland. Thuraya maakt daarentegen gebruik van GPS-technologie (Global Positioning System) en is accuraat tot op honderd meter. Maar daarvoor moeten de abonnees wel de GPS-functie geactiveerd hebben.

Veel schiet het Amerikaanse leger daar dus niet mee op als zij Saddam Hussein te pakken willen krijgen. Wat zij doen is afluisteren en ongewone frequenties of belpatronen proberen op te sporen. Gesprekken via satelliet krijgen een identificatienummer dat overeenstemt met een telefoonnummer uit het bestand van de netwerkaanbieder. Als de Amerikaanse inlichtingendienst erin slaagt om het identificatienummer aan een bepaald persoon te verbinden, kunnen zij het gesprek afluisteren zolang de beller geen gebruik maakt van signaalvervorming.

Afluisteraars kunnen die beller via een techniek die triangulatie heet ook preciezer dan de belbedrijven lokaliseren. De positie van het opgevangen signaal wordt nauwkeurig bepaald door de afstand tot drie verschillende posities, bijvoorbeeld verkenningsvliegtuigen, te meten. Het vaststellen van de positie tot op enkele meters is echter geen garantie voor succes: bij de klopjacht op Osama bin Laden en Al-Qaida-leden werd duidelijk dat het snel wisselen van telefoon en het kort houden van gesprekken de zoektocht al een heel stuk moeilijker maken. Bovendien veranderen de aanbieders van satelliettelefonie het identificatienummer van de telefoon vaak per gesprek om fraude te voorkomen.

"Je moet haast als de gesmeerde bliksem reageren om resultaat te boeken", aldus een expert op het gebied. "Je zal altijd de geijkte volgorde moeten doorlopen: eerst detecteren, dan identificeren en dan pas het teken geven om toe te slaan."

Elke satelliettelefoon zendt dus een signaal uit dat opgespoord kan worden door het Amerikaanse leger. Het onderscheid maken tussen een vriendschappelijk of vijandig signaal blijf daarbij een groot probleem. Kate Adie van de Britse BBC haalt haar schouders op over het gevaar: "Het is gewoon weer een extra factor waarmee journalisten rekening moeten houden."