Westerlo - Standard strijden om derde plaats

Vorig jaar werd Ole-Martin Aarst, toen bij AA Gent, samen met Toni Brogno topschutter in de Belgische competitie. De dertig goals leverden de Noor, na een mislukt avontuur bij Anderlecht, een toptransfer naar Standard op. «100 miljoen Belgische frank? Nee nee, honderd én zeven miljoen!», lacht Aarst. «Maar die hoge transfersom maakt me niet extra zenuwachtig. Als ik daar al over moet piekeren.»

BR>

Door blessures kwam Aarst dit seizoen slechts tien keer aan de aftrap, maar hij scoorde al wel elf keer. «Mijn gemiddelde is beter dan vorig jaar en dat is leuk. Iedereen zei dat er bij Standard te veel aanvallers rondliepen. Maar nu blijkt het tegendeel. De trainer kan ons allemaal gebruiken. Ik was een tijdje geblesseerd, Goossens is voor de match tegen Westerlo geschorst en Mornar nog onzeker. We wisselen mekaar voortdurend af, niemand zat langer dan één speeldag op de bank.»

Op 11 februari stond de Noor voor het laatst in de Luikse basis. De kans is meer dan reëel dat ie er vanavond weer bijloopt. «Ik heb geen goede herinneringen aan Westerlo. Met Anderlecht kregen we er zes om de oren. Er lopen geen sterren rond bij Jan Ceulemans en dat maakt Westerlo juist zo sterk. Bij Standard zitten misschien wel té veel namen, waardoor er niet genoeg vechtlust is. Maar tegen Westerlo moeten we gewoon winnen. Ik kan me niet inbeelden dat we er punten zullen laten liggen. Zonder pretentie: wij zijn gewoon beter.»

Aarst leeft ondertussen bijna vier jaar in België. «Het verschil met Noorwegen is niet zo groot. Alleen het verkeer is hier veel drukker. In Noorwegen kan je rustig gaan vissen, dobber je eenzaam op een fjord. Maar in België loopt naast elke vijver wel een of andere drukke autoweg.

(lacht)

» Naast hengelen, langlaufen en alpineskiën mist de aanvaller nog iets in België. «Poolbiljart.

(lachje)

In Noorwegen heb ik het lang gespeeld. Ik trainde na school tot acht uur per dag en eindigde een keertje zevende tijdens het Noors kampioenschap. Ik ben zelfs een half jaar gestopt met voetballen en wilde met een vriend helemaal naar Oslo verhuizen om me volledig op het biljarten toe te leggen. We wilden profs worden en dat kon alleen in de hoofdstad. Maar ik mocht niet van mijn ouders. Dankzij hen heb ik mijn keu opnieuw ingeruild voor voetbalschoenen. Gelukkig maar, want je kan er je boterham niet echt mee verdienen. In Noorwegen zijn er misschien twee of drie profspelers. Hier in België speel ik soms nog wel snooker. Mijn hoogste

break

is 87, toch niet slecht, hé?»