Francofone afkeer voor Nederlands?

Naar aanleiding van de communautaire perikelen in Vlaams- Brabant, beter gekend als BHV, lanceert de Nederlandse taalkundige Joop van der Horst (KULeuven) een debat over de "Franstalige 'weerzin' tegen het Nederlands" en tegen alle andere talen in het algemeen.

Willy Alenus - Oostende

Ziehier zijn stelling: "Het probleem doet zich in de hele wereld voor, waar maar enigszins Frans wordt gesproken. Of het nu gaat om het grensvlak tussen Frans en Nederlands in Vlaanderen, of tussen Frans en Duits, Frans en Italiaans, Frans en Engels, Frans en Russisch, - in de Elzas, in Canada of op een congres in Warschau. Steeds weer stuit men op diezelfde afkeer van andere talen. Arrogantie, onkunde, bekrompenheid, nationalisme. Het speelt allemaal bij tijd en wijle een rol. En, eerlijk gezegd, dat speelt bij alle naties en tongen wel eens een rol. Maar de bijna fysieke walging (sic) die veel francofonen bevangt tegenover andere talen, ken ik eigenlijk alleen maar van francofonen."

Kennelijk heeft dr. Joop van der Horst niet (lang genoeg) in een Franse overheidsdienst gewerkt, universiteiten en ambassades inbegrepen, want het gaat de Fransen en francofonen helemaal niet om weerzin of walging.

Ik weet niet hoeveel boeken er over dit onderwerp zijn geschreven, maar wat ik wel weet dat is dat wie vertrouwd is met de Europese geschiedenis (zeker vanaf het begin van de negende eeuw) en wie jarenlang de Franse, met inbegrip van de diplomatieke taal, beroepshalve heeft gehanteerd, onmiddellijk de volgende hoofdstukken identificeert:

1) Uitgangspunten zijn de Frankisch sprekende koningen van Frankrijk, de adel, het militaire establishment en het Romaans sprekend volk (450- 800/ 843). Alhoewel deze combinatie vandaag nog altijd terug te vinden is in de moderne Franse woordenschat ('maarschalk') en in de adellijke voornamen (Didier, Thiérry (Diederik), Evrard (Everhard), Albert (Adelbrecht), Godelaine (Godelieve), Baudouin (Baldwin), Brunehaut (Brunehilde), toch stellen de Franse historici alles in het werk om deze historische werkelijkheid te verdonkermanen, net zoals de Duitse monumenten in de Elzas en de Vlaamse plaatsnamen in Zuid- Vlaanderen. Het Romaans- Frans is dus gestart in Frankrijk en in Europa, als een minderwaardige taal t.o.v. het koninklijke Frankisch. (in China bleef een soortgelijke discrepantie (Mantsjoe- taal versus de Kantonese- Chinese taal) bestaan tot de laatste keizer, in 1912). Bijgevolg moet, van bij het ontstaan van Frankrijk en de Franse taal, rekening worden gehouden met het Franse "collectief overgecompenseerde minderwaardigheidscomplex", - oorspronkelijk ten opzichte van het Frankisch (Nederlands), - vandaag ten opzichte van alles wat Angelsaksisch- Amerikaans is, - het Engels zijnde een Germaanse zuster- of dochtertaal.

2) Als tweede klap voor de Fransen en hun eigenheid, kwam de honderdjarige oorlog (1337 - 1453). In de veertiende eeuw, die begint met de Guldensporenslag, waren Franse koning, adel en militair establishment, reeds meer dan driehonderd jaar overgeschakeld van de Frankische op de Franse taal, maar het behoud van de Salisch- Frankische wetten ten voordele van de regerende klasse, verhinderde dat, wat ten noorden van de rivier Aa en Calais werd gesproken (dus in Artesië en in Vlaanderen), als minderwaardig kon worden beschouwd. En alhoewel de Britse legers, ten tijde van Jeanne d' Arc, uit Frankrijk werden verdreven en er een Frans nationaliteits- besef was ontstaan, toch zou uiteindelijk het Franse militaire minderwaardigheidscomplex (ondanks de militaire successen van Lodewijk XIV en van Napoleon), een constante worden, die vandaag bekend staat als Sedan- syndroom (1870), Fashoda- syndroom (1898), Mers- el- Kébir- syndroom (1940),- de Fransen zélf hebben het liever over "la perfide Albion" (het verraderlijke Engeland), ook al kwam de nederlaag bij Sedan van het Pruisische leger.

3) Als voorlopig laatste klap voor de eigenliefde van de Fransen, dient te worden vermeld het Amerikaanse leiderschap op het stuk van nucleaire, biologische en chemische wapens, - cybernetica, ruimtevaart en informatica met daarbij, tot overmaat van ramp, het weinig geschikt zijn van de Franse taal voor informatica en telecommunicatie. Deze laatste tegenslag is ongeveer het ergste wat de 'Francité' kon overkomen, zodat zij vandaag zou kunnen reageren als een in de hoek gedreven kat. De geaborteerde "Opération turquoise" in Rwanda (22 juni - 22 augustus 1994), met het meeste aandacht voor het redden van de Franse taal (!) is een komisch, maar ook een triest staaltje van een, sedert 1940, bijna definitief geblesseerde natie. Merkwaardig detail, = Rwanda en Burundi werden verfranst, niet door de Fransen, maar door Vlaamse missionarissen en Vlaamse ambtenaren, waaronder deze auteur.

4) Minstens zo belangrijk als wat voorafgaat, is de kwestie van de diplomatieke taal, - van het Frans als diplomatieke taal. Laat ons onmiddellijk stellen dat wat Frankrijk betreft, daarin uiteraard gevolgd door het 'Francofone' België, het Frans nog altijd de taal is van congressen, diplomatie en internationale instellingen (terwijl zelfs Vaticaanstad is overgeschakeld op het Engels). De waarheid, die men buiten Frankrijk zonder schroom kan ventileren is, dat het Latijn praktisch continu de diplomatieke taal van West- Europa is geweest, van in de tijd van de Romeinen, Merovingers en Karolingers, - mogelijk tot in 1870 (Duits- Franse oorlog), maar dat voor de periode van 1648 (verdragen van Münster en Westfalen) tot 1918 (verdragen van Versailles en van Saint- Germain- en- Laye), en misschien zelfs tot 1945/ 1946 (handvest van de Verenigde Naties, processen van Neurenberg), de Franse taal, in den beginne parallel met het Latijn, de diplomatieke of congressen- taal of hogere- standen- taal van Europa en bij wijlen van de gehele wereld is geweest. Vandaag worden deze functies overgenomen door het Engels, met het Frans als symbolische tweede. Geen Fransman die eraan twijfelt dat de Franse taal (gesproken door hooguit 100 miljoen Fracofonen), meer dan recht heeft op die tweede, voor hem eerste plaats, maar toch is dat historisch en politiek onjuist. Het Petainistische Frankrijk (1940- 1944), had gecollaboreerd met Nazi- Duitsland, - niet zo erg als het Ïtalië van Mussolini, maar zeker erger dan het fascistische Spanje, terwijl het "vrije Frankrijk" van De Gaulle nooit veel heeft voorgesteld. Edoch, met de Sovjet- dreiging aan de horizon (1945 - 1990), konden de Angelsaksische geallieerden zich niet MEER dan één vijand permitteren in West- Europa en dat was Duitsland (dat ook niet lang als vijand zou behandeld worden). Op die manier werd Frankrijk nummer vier in Europa en in Washington en kreeg het zelfs een zetel in de Veiligheidsraad van de V.N. (tot vandaag) en werd het Frans erkend als officiële taal bij het ondertekenen van het verdrag van Londen (8 augustus 1945), en dit als aanloop tot het monster- proces van Neurenberg. Geen enkele jongere Fransman is op de hoogte van de FEITEN die hier worden in herinnering gebracht, zo lang ik deze lezersbrief niet in het Frans vertaal en publiceer. De Franse historicus Jacques Bainville, zou in 1945 van zijn landgenoten hebben gezegd,- "Ils prennent l' effet pour la cause".

Besluit: met afkeer ten opzichte van andere talen heeft de Franse attitude niet veel te maken. De Franse anglomanie is van die aard dat de Fransen Engels- klinkende woorden fantaseren, die zelfs chief- inspector Morse niet verstaat, als daar zijn,- 'smoking' (dinner jacket), 'pressing' (dry cleaning), 'living' (drawing room), 'play'- back' (mimicking), 'speaker' (announcer), enz. Een "collectief overgecompenseerd minderwaardigheidscomplex", zo heet dat in mensen(?)- taal, dat is wat de Fransen uiteindelijk de das zal omdoen.