Trouw

Print

Ik had het moeilijk met mijn man. Hij ging zijn weg en beschouwde mij als aanvulling bij wat hij niet alleen aankon. Op de duur leefden we naast elkaar. Het samenleven werd voor mij een last zonder uitzicht. Ik nam mij voor hem te verlaten van zodra de kinderen uit het huis zouden zijn.

Toen kreeg mijn man Parkinson. De ziekte kon alleen maar erger worden. In deze situatie kon ik onmogelijk mijn man alleen laten. Ik ben mij voor hem gaan inzetten. Zijn houding tegenover mij veranderde. Hij werd in alles van mij afhankelijk. Tenslotte kon ik de verzorging niet meer aan. Hem optillen uit bed of rolstoel was te pijnlijk voor mijn rug. Ik kon hem ook nooit meer alleen laten. Ik moest hem laten opnemen in een rusthuis. Langzaam aan kon hij niet meer praten. Het werden oogcontacten. Die waren zeer intens. Ik heb nooit zo veel van hem gehouden als op het einde van zijn leven. Hij is in alle rust heen gegaan in mijn armen. Hoe is het mogelijk dat de ziekte van een mens je zoveel dichter bij elkaar kan brengen?