Hasselt voor fijnproevers

Jan-Willem Smeyers schrijft een column over het dagelijkse leven in Hasselt.

Jan-Willem Smeyers

Ik fiets met mijn zieke zoon achterop naar Kuringen. In Runkst, waar wij wonen, zijn er zeven huisdokters. Die rijd ik allemaal voorbij. Het gras is nu eenmaal groener aan de andere kant van de spoorweg. Ik sleur ons over de winderige brug op de grote ring. Langs ons razen auto's.“Spijtig hé, papa,” zegt mijn zoon, “dat we hier niet meer naar de treinen kunnen kijken.”En ja, ik beken. Ik vind dat zelf ook spijtig. Vroeger, voor iemand al een hele tijd geleden besloot het uitzicht op de treinsporen te blokkeren met een grijze, betonnen wand, bleven we hier altijd even staan. Toen gaf deze plek een leuke uitkijk over de wondere wereld van de trein. Een dubbeldekker naar Genk. Een dieseltuffer naar Mol. Of een oud model op weg naar de wasstraat. Er kwam altijd al heel snel een trein onder de brug door gereden. Zoals vandaag nog, alleen kan je dat niet meer zien. Nu is het hier alleen naargeestig en guur. Uitlaatgassen blijven merkbaar hangen, overigens.

We rijden naar beneden, langs het hatelijkste kruispunt van Hasselt en omstreken. Ook hier valt niet veel vreugde te rapen. De veiligste fietsweg van hieruit naar Kuringen: onder de tunnel door, langs een clandestien paadje naar de parking van de Brico. En dan de Crutzenstraat op.

“Is dit de gevangenis, papa?” Mijn zoon wijst naar de metershoge grijze muur rond de stelplaats van onze openbare busvervoerder. Ook het spel van aankomende en vertrekkende bussen volgen de meeste kinderen graag. Of minstens vinden ze het mooier dan zo'n lelijke betonnen muur. Waar komt eigenlijk het idee voor zo'n grauw bouwsel vandaan? En belangrijker: waarom hebben we eigenlijk geen torenhoge boetes voor mensen of bedrijven die de stad zoveel lelijkheid opdringen, én kinderen een fascinerend uitzicht (op bussen bijvoorbeeld) ontzeggen. Minstens een meter of twee van die muur (in de hoogte) lijkt mij totaal overbodig. Verzwarende omstandigheid: dit is toch een publieke plaats. Dagelijks komen hier tientallen moslims bidden in de Aya Sofia moskee. Als ik de boete mocht bepalen, verplichtte ik onze openbare busvervoerder om een straatartiest een uitdagende opdracht te geven voor de volledige lengte en hoogte van die muur, in samenspraak met de buurtbewoners én de moskee. Want ja: deze plek kan wél nog iets worden. Maar nu is het werkelijk een nachtmerrie voor iedereen met een milligram gevoel voor klasse en schoonheid.

Het kan ook omgekeerd. Hoeveel mensen maken de stad niet mooier door iets bijzonders met hun gevel of voortuin te doen. Door hun winkel, café of restaurant leuk in te richten. Of door eenvoudigweg hun woning niet te ontsieren met een lelijke draad of poort. We hebben daar al wat prijzen voor. De bloemrijkste straat. De leukste kerstversierde wijk. Ik vind dat écht terecht. Voor mij mag het meer zijn. Ik ben deze week dan ook begonnen met het rijkelijk belonen van al wie ik aan een met zorg vormgegeven tuin of gevel zie werken.

Ik geef ze … een glimlach. Meer heb ik niet. Maar toch kijken de meesten blij. Zo gemakkelijk is het dus om elkaar als stadsgenoten sprankeltjes geluk toe te schuiven.


    Immo

    Auto's in de kijker

    Jobs in de regio