COLUMN - Klodders

Print

Runkst

Hasselt - Jan-Willem-Smeyers schrijft een column over het dagelijkse leven in Hasselt.

Je ziet ze vooral als het vriest. Dan blinken ze op als winterse dwaallichtjes bij dag, overal in de stad. Maar in feite zijn ze er altijd. Kijk maar eens naar de grond aan de busperrons bij het Leopoldplein, het station of voor de ingang van scholen. Bij iets warmer weer tonen ze hun ware, meer slijmerige aard.
“Wat is dát, papa?” vraagt mijn jongste zoon op een ochtend, ter hoogte van de kathedraal. Hij staart met een vies gezicht naar de onderkant van zijn schoen.
En ja hoor: het is een speekselklodder.
“Wat denk je zelf?” zeg ik.
“Echt waar, papa? Maar wie laat dat hier dan achter?”
“Geen idee …” zeg ik. “Maar kijk uit: er liggen er vast nog meer.”
Mijn zoon telt drieëntwintig (23!) klodders, op weg naar de kanaalkom. De daaropvolgende weken wijst hij me bijna doorlopend op elke spuwende stadsgenoot. Een interessant onderzoek. Geslacht: bijna uitsluitend mannen. Leeftijd: late tieners tot vroege vijftigers. Uitstraling: nonchalant of arrogant.
Op de drukste wachtplaatsen in de stad moet je soms echt hinkelen om het spuug te ontwijken. Bij ingangen van winkels, naast zitbanken en bij parkeerautomaten. Meestal fiets ik, gelukkig. Maar toch. Al dat lichaamsvocht overal. Voor mij hoeft het niet.
Dus ga ik aan het denken: moeten we de spuwers tegemoet komen? Een spuwemmer op elke hoek van de straat? Met een spinnetje om op te mikken? Stellen we hen zakjes ter beschikking, zoals aan hondenbaasjes? Of gaan we voor repressie? DNA-stalen op elke klodder? Ik besluit het eerst te proberen met een goed gesprek.
“Waarom spuw jij op de grond?” vraag ik aan een jongen die, terwijl ik hem passeer op de grote markt, een flinke klodder spuug richting de kasseien stuurt.
“Waarom niet?” zegt hij.
“Omdat niet iedereen het aangenaam vindt om in jouw lichaamssappen te trappen?” opper ik.
“Ja … da’s waar. Ik denk er niet bij na. Het is een gewoonte.”
En inderdaad. Als ik mijn zonen ernaar vraag, blijkt ook bij hen op de speelplaats spuwen tamelijk gewoon. Misschien moet ik het maar aanvaarden als het nieuwe normaal. En voortaan met plastic zakken rond mijn schoenen door de stad gaan.
“Ze doen het vooral bij het voetballen,” zegt mijn oudste zoon.
“Zoals de echten,” voegt mijn jongste toe.
“Ja hoor,” zeg ik. “En dan een lekkere sliding …”
Niet veel later volg ik tien minuten van de uitzending van een voetbalmatch. In deze korte tijdsspanne zie ik, inderdaad, veel gespuw. Maar ook dit: niet minder dan vijf spelers ledigen, voor de camera’s, de inhoud van hun neus op het veld. Eén neusgat toe, een ferme trek met het hoofd, en droppen dat snot! Misschien moet iemand eens gaan praten met onze voetbalhelden. Of toch maar beginnen met die emmers in het centrum?

Immo

Auto's in de kijker

Jobs in de regio