Hobby’s te duur voor 13 procent van de Belgen

Kwart van de Belgen kan niet op vakantie door geldgebrek

Print
Kwart van de Belgen kan niet op vakantie door geldgebrek

Een strandvakantie in het buitenland is voor heel wat Belgen te duur. Foto: Jimmy Kets

Een op de vier Belgen kan zich geen week vakantie veroorloven. Dat blijkt uit cijfers van de Algemene Directie Statistiek van de FOD Economie. 22 procent van de bevolking leeft in een huishouden dat verklaart moeite te hebben om de eindjes aan elkaar te knopen,

rekening houdend met de inkomsten. Vorig jaar werd 6 procent van de Belgische bevolking geconfronteerd met een toestand van ernstige materiële deprivatie.

Materiële deprivatie betekent dat iemand zich de gangbare levensstandaard niet kan veroorloven. De EU-SILC-enquête meet materiële deprivatie aan de hand van het ontbreken van negen materiële bezittingen en de onmogelijkheid om een aantal handelingen te doen die symbool staan voor de gemiddelde levensstandaard in onze maatschappij.

Het gaat onder meer om een week vakantie per jaar kunnen nemen buitenshuis, een onverwachte uitgave kunnen doen, of zich een televisie kunnen veroorloven. Als iemand zich minstens vier van deze negen items niet kan veroorloven, wordt gesproken van ernstige materiële deprivatie. Dat laatste gold in 2016 voor 6 procent van de Belgische bevolking.

Er zit een duidelijk verschil tussen de elementen waaruit materiële deprivatie bestaat. De aankoop van een televisie (onmogelijk voor 0,7 procent van de bevolking) of telefoon (0,1 procent) vormt amper een probleem.

Een onverwachte uitgave van 1.100 euro doen is echter een groot knelpunt voor 26% van de bevolking. Meer dan een kwart van de bevolking kan om financiële redenen ook niet jaarlijks één week op vakantie gaan. Bovendien heeft 7% van de Belgen problemen met de aankoop van een wagen en 6% met de regelmatige consumptie van vlees, kip of vis.

Hobby’s te duur voor 13 %

De EU-SILC-enquête verzamel ook informatie over andere materiële deelaspecten van het dagelijks leven van de +16-jarigen. Daaruit blijkt dat een aanzienlijk deel van de bevolking van 16 jaar en ouder het moeilijk heeft om sociale activiteiten te financieren zijn.

Zo slaag 13 procent er niet in om regelmatige vrijetijdsactiviteiten te betalen. Twaalf procent kan het zich niet veroorloven om wekelijks een klein bedrag aan zichzelf uit te geven om bv. naar de kapper gaan en 12 procent heeft onvoldoende middelen om minstens één keer per maand met vrienden of familie uit eten te gaan of iets te gaan drinken. Materiële deprivatie kan zich dus ook uiten in een vorm van sociale deprivatie omwille van een gebrek aan financiële middelen.