Carl Huybrechts

Carl Huybrechts: "Miserie, miserie, miserie"

Print
Carl Huybrechts: "Miserie, miserie, miserie"

Foto: HBVL

De zomer komt eraan en dat stemt mij enigszins droef te moede. Ik zal u namelijk gedurende twee maanden niet meer kunnen schrijven. Iets in deze krant publiceren, al is het in één van de talrijke weekendbijlagen ervan, geeft zin aan mijn bestaan. Hoewel ik sinds lang geen journalist meer ben, geen rapporteur of verslaggever, ken ik nog de drang die kenmerkend is voor perslui: het mededelen, mede-delen. Een journalist is in wezen een buitengewoon sociaal geëngageerd persoon die zijn kennis en inzichten wil delen met anderen. Of de mensheid al op de hoogte is van wat medegedeeld wordt, is bijzaak. Een journalist gaat ervan uit dat er nog altijd mensen zijn die het niet weten en de anderen hebben het zeker nog nooit zo mooi verwoord voorgeschoteld gekregen. Het is een behoorlijk bevredigende vorm van unilateraal contact waaraan mijns inziens tot dusver veel te weinig diepgaande studie is gewijd.

Het gapende gat dat zomer heet wacht mij dus als ik straks het point final achter deze column zet. Voor u is dat om vele redenen wellicht niet zo erg, onder meer omdat deze column over televisie gaat en de overlevering wil dat er des zomers niets te zien is op tv. Dat is niet helemaal waar. Om te beginnen komt er opnieuw een heruitzending van ‘F.C. De Kampioenen’ en dat is een meer dan prettig vooruitzicht voor de twee jongsten hier ten huize Huybrechts. Kinderen houden ervan iets zo vaak terug te zien op tv dat ze op den duur elk woord uit elke dialoog uit het hoofd kennen. Ze zitten dan op de bank en spelen feilloos verschillende rollen mee, ‘F.C. De Kampioenen’ is een interactief format dat zijn tijd ver vooruit is (was). Dat kan je niet van veel Vlaamse series zeggen. Bovendien declameren die kleine gasten de teksten in real life, in omstandigheden die vergelijkbaar zijn met scenes die ze op het scherm zagen. Als ik bijvoorbeeld ’s ochtends weer eens onder grote tijdsdruk, dus net te laat, de kinderen in de auto prop en d’r is er eentje zijn zwemzak vergeten, en ik moet het huis weer in en het alarm staat al op en het regent pijpenstelen en de hond maakt van de gelegenheid gebruik om de tuin in te glippen en met slijkpoten tegen mijn schone broek op te springen, dan zegt die kleinste van mij (hij is vijf) met nauwelijks verholen ironie, parmantig zetelend in zijn autotroontje: “Man, man, man, miserie miserie, miserie.” ‘F.C. De Kampioenen’ helpt een mens door de moeilijkste momenten van de dag.

U hebt ook nog twee weken Jan Mulder tegoed. Ik wilde bijna zeggen dat hij beter wordt met de jaren, maar dat is de waarheid geweld aandoen. Jan is altijd goed geweest. Als formidabele spits van Anderlecht, als columnist en analist. In die rol voerden wij hem voor het eerst op, op de BRT, in 1982, tijdens het WK in Spanje. Italië dat toen wereldkampioen zou worden, speelde in de eerste ronde tegen Polen, Kameroen en Peru uiterst behoudend voetbal. De Azurri hielden het drie keer bij een gelijkspel, haalden maar 3 punten en werden toch tweede in de groep. Ik zat met drie analisten, Arie Haan, René Vandereycken en Jan Mulder, naar Italië-Kameroen te kijken, een zoutloze pot, en toen we in beeld kwamen na de eerste helft lagen we alle vier met ons hoofd op tafel, zogenaamd in slaap gevallen. De toenmalige hoofdredacteur kon daar niet om lachen en ik, de jonge fonkelende ster van de Vlaamse televisie, werd veertien dagen van het scherm gebannen. Volgens mij kelderden de kijkcijfers, maar dat moet ik nog eens controleren.

Ten slotte, om het met de woorden van een gevreesde prof werkzaam te Diepenbeek te zeggen: wij zien elkaar terug in september.