Carl Huybrechts

Het Songfestival

Print
Het Songfestival

Foto: HBVL

Elke week levert HALLO-recensent Carl Huybrechts snedige commentaren bij wat hij op tv ziet.

Ik liep dinsdagmiddag nietsvermoedend met enkele vrienden bij Vittorio binnen, onze favoriete Italiaan, voor een lichte lunch. Zoals altijd wanneer hij onze stemmen hoort, kwam de hartelijke man uit de keuken gelopen om ons te knuffelen. “En, Carlo”, zei hij, “het Songfestival gezien? Wat vond je ervan?” Ik wilde in één woord mijn mening formuleren, maar op dat moment knikte hij naar een vinnige kleine veertiger die naast hem was komen staan. “Hij is de vader van dat meisje, van Laura.” “Laura Tesoro?”, schrok ik, en ik drukte papa Tesoro de hand. Een vriendelijke vent, met een klaterende Italiaanse tongval, u kent dat wel in Limburg. Nederlands, maar dan spumante. Hij liet me niet de kans iets te zeggen waarvan ik achteraf spijt zou hebben en begon onmiddellijk te vertellen dat hij acteur is, dat zijn laatste productie er eentje was met Lucas Van Den Eynde, en of ik die en die kende. Tijd zat om mijn tekst wat bij te sturen: “Proficiat, uw dochter heeft het goed gedaan, maar ik ben niet zo’n fan van het Songfestival, elk jaar zoveel slechte zangers en zoveel vreselijke songs in één uitzending…” Mijnheer Tesoro, die dus ook aan de slag is als horeca-assistent en dat heel goed doet, beaamde mijn woorden: “Het is geen wedstrijd voor liedjes, maar voor producers en lichtjongens, het is oogverblindend wat die allemaal kunnen, die moesten een prijs krijgen.” Zit wat in.

Wat beweegt ú er overigens toe om een hele zaterdagavond op te offeren aan die Songfestivaldraak met een veel te lange staart? ‘224 minuten’, stond op onze digicorder. Ik moet zoiets in stukjes bekijken, verspreid over verschillende dagen, af en toe een beetje, of ik kom in ademnood.

Ter introductie van de artiesten opende de gigantische flutsoufflé met een modeshow tijdens dewelke modellen zo’n potsierlijke creaties droegen dat die zelfs tijdens het defilé van de eerstejaars op de modeacademie in Antwerpen niet zouden worden weerhouden (en daar loopt wat tussen). Ik dacht: “Dat moet geld gekost hebben, ze hadden het beter besteed aan de artistieke begeleiding van de toondichters en tekstschrijvers.” Geen énkele goeie muzikale vondst van al die popcomponisten uit al die landen, geen enkel rifje bleef in m’n hoofd hangen. De Zweedse presentatrice Petra Mede, een soort buiksprekerspop die Scandi-Engels praat en van wie alleen de kinnebak op en neer gaat bij het praten, had het voortdurend over de grootste muziekwedstrijd ter wereld. Ik vraag me af wat échte muziekmakers daarvan denken.

Ook het liedje van Laura is er niet eentje dat je na drie keer spontaan gaat meezingen in de auto. Maar Laura is wel fris, soepel, charmant. Jammer dat ook zij, zoals de meeste deelnemers, werd omzwermd door een hinderlijk overbodig en playbackend dansgroepje. Ik wilde gewoon Laura zien. Ach, al die choreografietjes, zo voorspelbaar in hun vruchteloze drang naar originaliteit, bewegingstherapie uit het buitengewoon onderwijs. En de attributen die erbij gesleurd worden… Iemand rolde zelfs in zo’n turnrad over het podium. Cirque Du Soleil van den Aldi.

Het werd pas geestig toen de woordvoerders van de vakjury’s de revue passeerden, een plejade van rare snuiters, het leek wel of ze in al die landen figuren van ‘The Addams Family’ hadden ingehuurd.

Dat een kwelende zwarte madam uit Oekraïne met een povere zangvoordracht over de door Stalin gedwongen volksverhuizing van de Krim-Tataren in 1944 uiteindelijk zegevierde, na de telling van de publieksstemmen, wekte bij mij geen verbazing, wel lichte ergernis. Het Oostblok is nog steeds hechter dan we denken.