Top 10: Dit zijn enkele van de mooiste Limburgse gedichten

Print
Top 10: Dit zijn enkele van de mooiste Limburgse gedichten

Foto: HBVL

Sommigen hebben er een poëzieweek van gemaakt, anderen houden het op één dag. Hoe het ook zij, vandaag is het Gedichtendag en dat zet iedereen aan om liederlijke teksten neer te pennen. Zelfs weervrouw Jill Peeters probeert aan haar dagelijkse weerpraatje een versje te breien. Maar soms is het goed om eens bij de echte woordkunstenaars in de leer te gaan. Wij doken het archief in en vonden tien van de mooiste Limburgse gedichten terug.

Dichteres Clara Haesaert:

Bevoorrechte getuige 7

plots dringt het tot me door:

een weten als een helder licht

zon op een hete zomermiddag

 

dit raakt me als het diepste zwart:

dat jij jezelf niet meer kunt vinden

niet in het landschap niet in de nacht

 

je zult de groene ruggen niet meer zien

geen wier meer plukken aan het Spaanse strand

je vertelde: ik heb alles zelf in de hand

 

ook de grenzen van mijn overkant.

Uit:  Bevoorrechte getuige Antwerpen 1986

Dichter August Vanistendael: 

DRAGENDE VROUWEN

Ik draag, mijn moeder droeg, de vrouwen dragen;
Het kind rust op mijn rug of in mijn schoot.
Ik draag geduldig alles naar de dood
En slechts mijn ogen stellen grote vragen.

Ik richt het hoofd alleen op om te dragen,
De last des huizes, maniok of brood,
Al wat mijn heer voorheen en nu gebood,
Ik draag, ik ben geboren om te dragen.

Hoe menig pad ontstond niet in het vage
Van kreupelhout en grassen door de stage,
Duldzame stoet van vrouwen op een rij?

Elk heeft haar eigen zorg en stelt geen vragen,
de dagen slenteren dragende voorbij;
Last op mijn hoofd... hij denkt misschien aan mij.

A. Vanistendael, Lomé (Togo, Afrika), 1954

Dichter Ludo Laagland:

Gij vraagt naar uw vake,

Ge hebt hem van doen,

Om een sneeuwman te maken,

Mijn kleine kapoen.

Papa kan niet komen,

Mijn zielslieve knecht,

Zijn tijd wordt benomen

Voor het Belgisch gerecht.

Speel voort met uw moeke

Uw argeloos spel.

Blijf vake maar zoeken,

Eens vindt ge hem wel.

Doch blijf steeds onthoûen,

Wat vake hier leed.

Omdat hij in trouwe

Voor Vlaanderen streed. 

Dichter Bart Mesotten: 

lang geleden

.

lang geleden

gleed de tijd

geluidloos over de aarde

die vlak van stilte was

de aarde was zijn vriendin

zij praatten met elkaar

en niet brak de stilte

 .

in de schoot der aarde

kiemde toen een vrucht

de bastaardvrucht van geluid

en de aarde baarde

struiken en bomen van geluid

huizen en pleinen van geluid

 .

nu vindt de tijd geen stilte meer

waar hij zijn voet kan zetten

hij ijlt hij schiet over de aarde

en de aarde hoort het niet

en de aarde ziet het niet

daar staat de dood

 

Dichter Jos Vandeloo: 

GEWOON TE STERVEN

er stond een man te sterven
gewoon te sterven
als een boom of een standbeeld
onopgemerkt
hij verweerde zich niet
hij was niet bevreesd
hoe vreemd
hij liep niet weg
en hij riep niet
alleen maar een glimlach
terwijl hij stond te sterven
een beetje ongerust
wat ze zouden zeggen zo plots
een beetje hulpeloos
om de last die hij nu
ging veroorzaken
hij trachtte met zijn voet
een kuiltje te maken
maar het ging niet
daarom bleef hij staan
met een versteend ekskuus
op zijn gezicht

Uit: Een kwarteeuw poëzie, 1970

Dichter Clemens Van Der Straeten: 

November luidt

November luidt den dood der zomerdagen,
- de laatste van een glorievollen tijd, -    
die, een voor een, met droeven kerkhofwagen,
naar bloemelooze graven zijn geleid.

De mare is door het treurend woud gedragen, 
dat, blaren strooiende, zijn rouw bereidt
en in de hagen late vogels klagen : 
" November luidt! Den winter nu verbeidt ! "

En langs de paden van mijn stillen tuin
waar kranke wasem zweeft van stervend loover,
en ook een kille huivering reeds over
de kale twijgen rilt der boomenkruin,
daar bloeit als wintertroost een goudgegeelde,
een honderdkleurige chrysantenweelde.

 uit : De gouden poort. Bloemlezing voor middelbaar en normaalonderwijs, J. Kuypers (ed.), Antwerpen, De Sikkel, 1943, 139 (vermelding uit : Stille Preludiën).

Dichteres Edith Oeyen: 

Woord

Ik heb woorden verpulverd
tot graan verpletterd 
gezaaid in vruchtbare aarde
als wat ik nu nog doe is 
wachten op resultaat
wachten en hopen 
dat het woord
wortels schiet
en zichzelf verder draagt.

Dichter Robert Leyssens: 

Niets droogt sneller dan een traan 


Niets droogt sneller 
dan een traan 

Vergankelijk 
is de mooiste roos 

De dag verdooft 
het licht der maan 

Herinneringen begraaft 
men in een doos 

Een troostend woord, 
dat staat geschreven 

Blijft ongetwijfeld 
langer leven 

Langer dan een traan, 
een bedroefd gezicht 

Een troostend woord 
in een gedicht 

Dichter Jan Mathijs Winters:

Het wintergroen of Kleuterkruid

‘k Wist in mijn geboortestreek,

op den boord der meulenbeek,

knobbelig, een kopeik staan,

’s winters stram, met sneeuw belaan,

’s zomers prijkend, preutsch en schoon,

met een groote looverkroon.

 

Had heur baas in jonger jaren,

om een bussel brand te sparen,

haren gelpschen kop gebroken,

flink had zij haar leed gewroken,

jaar op jaar, bij honderd loten

kris ende kras, een kroon geschoten.

 

’t Beeksken had, met tragen spoed,

spoelend om haar loggen voet,

menig wortelke los gedekt;

ei! zij had er bij gegekt:

‘Lek maar, beekske, lek nog meer,

uw zoentje doet geen zeer’.

 

Eens vol sappigen hoogmoed dronken,

daar stond in ’t licht te pronken,

’t zoele licht van ’t zonnig voorjaar,

zag zij, – ’t was kreeg te zien – of hoorbaar,

teer van leên en krank van voeten-,

op haar teen iets groens aan ’t wroeten.

 

De oude loeg met ’t looze ding:

‘Kruip omhoog wat, kroppeling,

laat eens zien uw zot fatsoen.’

’t Windeke woei en ’t wintergroen

lei zijn ledekens in den bast

en daar wies het, wortelvast.

 

Pas was nu een tijd verloopen,

of een vrachte wrongelknoopen,

vezelkes, wortelkes, bladen, ranken

zaten d’ oude rond de schranken

die haar eigen dood moest bloeden

om heur troetelkind te voeden.

 

‘k Weet in mijn geboortestreek

op den boord der meulenbeek

uitgemergeld, heel ontdaan

koppeloos een kopeik staan;

nog op ’t oude krank gedoen

teert het wulpsche wintergroen.


 

Uit 'Lelie der Dellingen' pagina 112.