Er is toekomst

Print
Er is toekomst

Foto: LD

Het gaat nog niet zo slecht met de Limburgse economie. Dat weten we van diverse specifiek Limburgse conjunctuurbarometers en wordt nu bevestigd door de Toekomst Indicator 2015 van VOKA Limburg in samenwerking met de Universiteit Hasselt.

We gaan u hier niet vervelen met de methodologie achter die Toekomst Indicator. Wat we moeten onthouden, is dat sinds 2008 - toen de tellers voor zowel Limburg als Vlaanderen op 100 punten werden gezet - de Limburgse Toekomst Indicator is gestegen tot 132 punten en de Vlaamse tot 126 punten. Daaruit zou men kunnen afleiden dat de Limburgse economie er beter voorstaat dan de Vlaamse. Wat niet juist is. Omdat de Vlaamse economie er in 2008 toen men begon te tellen en te vergelijken er veel beter voorstond dan de Limburgse. Het enige wat we kunnen afleiden uit de Toekomst Indicator 2015, is dat we onze achterstand inhalen.

Dat is uiteraard een positief gegeven. We waren als provincie in staat om de sluiting van de mijnen en van Philips Hasselt op te vangen. De Toekomst Indicator 2015 lijkt aan te geven dat we ook in staat zullen zijn om de sluiting van Ford Genk op te vangen. Al mogen we niet voorbarig zijn. We hebben immers twee grote problemen die we nog moeten oplossen. Het eerste is de scholing van onze jongeren. In onze provincie verlaat bijna 12 procent van de jongeren de schoolbanken zonder enig diploma. Dat is een dramatisch hoog cijfer. Voorts hebben we te weinig jongeren in het technisch- en beroepsonderwijs en in de zogenaamde STEM-richtingen waarbij STEM staat voor science, technology, engineering en mathematics. Het tweede probleem is dat onze bedrijven nog te weinig innoveren.

Onderwijs en economie zijn bevoegdheden van de Vlaamse regering. Men mag van die regering veel verwachten. Dat ze bijvoorbeeld in het onderwijs zorgt voor extra begeleiding van leerlingen die het moeilijk hebben of schoolmoe zijn. Dat ze ervoor zorgt dat jongeren die niet in alle vakken slagen, toch een kwalificatie krijgen waarmee ze in het beroepsleven kunnen stappen. Maar zoals Vlaams minister-president Geert Bourgeois terecht opmerkte bij de voorstelling van de Toekomst Indicator 2015, óók de ouders moeten hun verantwoordelijkheid nemen. Anders lukt het nooit. Idem dito voor innovatie. Bedrijven die innoveren kunnen daarvoor terugvallen op onderzoekinstellingen, ze krijgen financiële steun, ze worden indien gewenst begeleid naar het buitenland. Maar de beslissing om te innoveren kan niet genomen worden door de Vlaamse regering, die moeten ze zelf nemen. En dus vooral zelf willen.