‘Fabiola hield Boudewijn vaak met de voetjes op de grond’

Print
‘Fabiola hield Boudewijn vaak met de voetjes op de grond’

Foto: Photo News

“Inzake vroom-katholieke bevlogenheid was koning Boudewijn veel extremer dan koningin Fabiola”, zegt Mark Van den Wijngaert, professor-emeritus Hedendaagse geschiedenis van de Universiteit-Hogeschool Brussel aan Belga. “Het was Fabiola die Boudewijn soms met de voetjes op de grond moest brengen, als hij wat zweverig werd door zijn geloof.”

Daarnaast is Fabiola ook als koningin veel meer naar buiten getreden dan haar voorgangsters. Ze hield zich met sociale en educatieve onderwerpen bezig, en was ook actief in de culturele sector, als erevoorzitster van de Koningin Elisabeth Wedstrijd. “En vooral, ze vergezelde haar man heel veel, ook als hij plaatsen van rampspoed bezocht. Door haar spontaniteit werd ze geliefd bij het volk en compenseerde ze de stugheid en houterigheid van Boudewijn”, aldus Van den Wijngaert.

“Ook de charismatische beweging die via de Ierse Veronica O’Brien aan het koningshuis werd geïntroduceerd door koning Boudewijn, nam Fabiola met een korreltje zout”, meent de professor-historicus. “Intimi van het vorstenpaar hebben me bevestigd dat in tegenstelling tot de algemeen verspreide perceptie, het vooral Fabiola was die realistischer omging met religieuze en andere overtuigingen dan Boudewijn die in dat opzicht meer wereldvreemd en vaak extreem was”, zegt Van den Wijngaert.

Daarnaast stak de uitbundigheid en spontaniteit van Fabiola, misschien toe te schrijven aan haar Spaanse roots, ook wel wat af tegen de schuchterheid en stugheid van Boudewijn. Fabiola stond ook meer open voor andere overtuigingen dan Boudewijn.

“Anderzijds was enige werelvreemdheid ook Fabiola niet vreemd”, meent Van den Wijngaert, verwijzend naar de perikelen rond de stichting Fons Pereos, die Fabiola had opgericht om als appeltje vor de dorst te dienen voor haar Spaanse familie. “Dat kan komen door een zekere naïviteit”, meent de professor. “Maar het getuigt toch ook van een wat wereldvreemde, aristocratische visie dat men privilegies kan opeisen op grond van zijn titel en dat men daarvoor bestaande wetten en regels van erfrecht met de voeten mag treden.”

Tot slot is er toch ook een positieve appreciatie voor de manier waarop de Spaanse aristocrate zich vlot wist te integreren in ons land, en ondanks de Spaanse tongval, toch haar best deed om het Nederlands te beheersen. “Ze is uiteindelijk vrij populair geworden bij de man en vrouw in de straat door haar vrolijkheid en uitbundigheid”, besluit Van den Wijngaert.