Tongeren, vrijdag 28 augustus 1914

Alweer schoon weder. De zon wil zich verlustigen, hare stralen spiegelen in het diamant der tranen en de robijnen gloed van het bloed. De wreede! Heeft zij ook een Pruissische ziel thans? Is de oorlogswoede smettend tot in de sferen van het oneindige?

Eenige wagens rollen daverend door en schudden de grondvesten van ‘t huis. Auto’s snorren voorbij.

Reeds vroeg staan ambulantiejuffertjes met pak en zak aan den anderen stoep van ons huis, vertrekkensgereed, zeker een auto verwachtende om hen op te laden.

Wat later het oud-ijzeren geratel van enkele kanonnen met ammunitie en paardengetrappel.

Gisterenavond elf ure werd ik gewekt door een zestal schoten, aan den zuidkant der stad uit. Was het weer een plunderingssignaal? Ik wekte mijne echtgenoote en wij hielden ons vluchtens gereed. Het gewerengeratel had geen verder gevolg. Wat was het? Wie zal het zeggen? Soldatenpleizier: vreesaanjagen.

Mijn jongste dochterken en nog Mr. Gerard Vandormael die de nacht met zijn zoontje hier komt doorbrengen, daar hij zich thuis niet veilig voelt, beweerden in de morgend dat zij grof geschut hadden gehoord tot half twee.

Hoe kan dat? De Franschen zijn verre, o zo verre. De dwaze hoop van over een paar dagen is al even verre. In het huis van mijn gebuur M. J. Slegers, raadsheer, staan paarden, kranke paarden, ter herstelling. Aan de andere zijde, in het atheneum, werden er gisteren, zooals ik reeds neerschreef, nog 50-tal labeurpaarden binnengebracht. Zou de doffe klank van dat getrappel aan verre kanongeschut niet hebben doen geloven?

De vandalen verbrijzelen bij onze geburen de blinden, de trapleuning en meer anders, om vuur te stoken. In het atheneum slaan zij de schoolbanken stuk. In de lagere school daarna doen zij hetzelfde. Wat een ruïne, wanneer ze zullen weg zijn!

En maar voorts trekt het door de straten, van grijze, zwarte, geruite zoogezegde ziekenverpleegsters, met harde, uitdagende gezichten en mannengang, met pak en zak vertrekkens gereed. Zij gaan bij kleine troepjes naar de statie af. Naar “Tirlemont” zeggen ze.

Den herr Hauptmann, die hier logeert, zegt me dat het wel tijd is dat ze heen gaan, wijl er hier veel meer verplegers en verpleegsters dan kranken. Vele zijn hier gekomen voor de leute, zoo het schijnt; en hebben de ware liefdezusters der stad nogal leed veroorzaakt. Ook de verplegers trekken er in drommen vandoor, een troep zelfs zingende.

Individueel genomen, kan ik niet zeggen dat de Duitscher slecht is, maar als massa, als korps is het een uitdagend en trotsch volk; prat op zijn krijgsroem. Zij kennen van den toestand niets. Zij hoeven er ook niets van te kennen. Het zijn machienen, bewogen door het tandrad hunner oversten, ook in werking gezet door een ander tandrad misschien. En zij gaan, en zij handelen, en zij spreken als machienen.

Zij zijn allen gestyleerd. Zij zeggen allen hetzelfde. Van Warsage, van Visé, van Julimont, van Herve, van Moelingen… Men heeft hun blijkbaar de les gespeld. En zij gelooven wat ze zeggen. Ze hebben alle dezelfde gekwetsten Pruis gezien met de neus en de oren afgesneden en de oogen doorstoken. Eene ziekenjuffer had hen zelfs in Tongeren gezien. Hoe kan zoo’n lijk zich dan drie weken bewaren? Hebben ze het dan gebalsemd? Of moet niet liever elke dag zoo’n nieuw preparaat worden klaar gemaakt?

Hoe verre hun domme verwaandheid gaat, blijkt uit ‘t gesprek van heden, met een sergeant-ziekenverpleger nog wel.

“Waar trekken zij nu heen?”

“Binnen twee dagen zijn zij in Parijs. “Wij zijn reeds 140 kilometer gevorderd.”

“140 kilometer op twee dagen? Per vliegmachien dan?”

“Neen, wij zijn reeds 140 kilometer van hier af, korter bij Parijs.”

“Maar Tongeren is 400 kilometer van Parijs!”

“400 km?”

De man bezag ons heel vreemd…

De Française zal ons niet meer den krijg verklaren, hé!

Men verwittigt ons in de morgen, dat we geschut zullen hooren aan de kant van ‘t kerkhof. Een officier wordt er begraven en salvo’s worden op zijn graf geschoten. De kinderen moeten dus niet schrikken.

Het geldt inderdaad een direkteur van een gymnasium daarginder, die een kogel heeft gekregen dwars door de twee longen, aan de eenen arm in en aan de anderen arm uit. Twee dagen heeft hij hier in de kliniek gezieltoogt, niet denkend meer aan oorlogsplannen en natiehaat. Fransche zusters verpleegden hem en verzachtten zijn droevig einde. Nu moet, tot zijne zielerust en heil, door de zode die zijn lijk gaat bedekken, worden geschoten! En zoo’n gekke parade heet men “krijgseer bewijzen”. Men lacht met de wilden, die in hun vreugdegejoel de geweren doen knallen; met de jeugd van vroeger, die schoten ter eere der geliefde in den niuwjaarsnacht. Dat alles in veranderd, voorbij. Maar de oorlogdwazen willen den gevallene in het gedonder der moordenarijen in ’t groot, nog doen opschudden in zijn graf, door ’t herhalen op zijn lijk van het het menschmoordend geratel; hem doen herdenken, als ’t mogelijk ware, aan ’t moordtuig dat hem trof!

Wij meenden dat de stad, die zo stil nu daar om mij ligt, met nog alleen de helft der bevolking in hare muren, nu vrij zou blijven van meer soldaten logeering. Dat al dat schorre en te hooge geschreeuw, dat u de zenuwen doet zoo akelig doet trillen, ging ophouden. Neen! De inkwartierders zijn weer hier geweest. Nieuwe troepen gaan afkomen en wel soldaten van de Sleswick, zegt men! Vreemd toch! De meeste voetregimenten die hier voorbijtrokken, kwamen van de Russische grenzen; van Oost-Pruizen, van Polen, van Posen, van Brandenburg en Berlijn. Echte Brandenburgers die! Die moesten drie dagen en drie nachten op den spoorweg bommelen eer ze in Aken waren, terwijl men ze direkt kon inzetten tegen de Russen. Waarom? Nu zij het de Sleschwick-Holsteiners. Waarom? Omdat Denemarken gemobiliseerd heeft?

En er komen maar geen brieven. Wat gebeurt er in de wereld? De Paus is gestorven. Hij was drie dagen dood eer wij het wisten en die wereldgebeurtenis is ons toegekomen zonder een schok. ‘t Is waar: onze ziel, onze zenuwen zijn doorschokt!

Ons Vaderland lijdt onder den Pruissische soldatendwang, die vernederend zijn hiel op het hart van België drukken. Het spartelt tegen en het stuiptrekt, terwijl het bloed toch uit zoovele wonden gutst. Wat kan ons nog meer ontroeren, wanneer wij reeds zoveel zoo ontroerd zijn?

Vloek over de oorlog! Vloek over ‘t militarisme dat tot den oorlog brengt!

De vloek van heel een menschelijk geslacht weegt er op.

Men vertelt als zeker, dat er van die Swesteren-ziekenverpleegsters, met platte valiezen zijn aangekomen, en vertrokken met volle, lijnwaad enz.

Om kwart voor 12 werden weer een 50-tal mannen en jongelingen binnen gebracht, met bajonnetten er rond. Wat is het? Weer eene gardeciviek? Van waar? Van Glons?

Buiten de Maastrichterpoort werd het lijk ontgraven van een onderofficier, in de grond gestopt met dat van de doodgeschoten Detrez. Zonder wederlegging is het zeker, dat die onderofficier door soldaten werd begraven, want civielen zouden doodgeschoten geweest zijn bij dit werk. Zoowel als Detrez werd hij dus door Duitsche kogels getroffen.

De bommenaanslag te Antwerpen, 9 bommen uit een Zeppelin, 5 personen dodend en er 20 kwetsend, is de barbaarschheid, haar vernielingsmiddelen ontleenend aan de wetenschap. ’t Is eene moordenarij op personen gepleegd, die geen oorlog wettigen kan. Dat men Antwerpen beleger, dat men de forten bombardere, met de bajonnetten zich doodde, soldaat tegen soldaat, ‘t is eene onmenschelijkheid zeker, maar de militaire wetten nemen dat aan. Maar van uit de lucht op weerlooze vrouwen en kinderen schieten? Keizer Willem, de keizer van de vrede eens genoemd, zal een andere naam dragen in de geschiedenis, een onteerende naam. En die schande zal terugvallen, ook vanuit zijne Zeppelin, op de vervlogen eer van heel het Duitsche rijk en dat door de eeuwen heen!

Om half 6 werden mannen en jongelingen van Nederheim gevankelijk binnen gebracht door de Duitsche bajonetten. Wat een wijze van oorlogsvoeren is dat nu? Weerloze menschen pakken en opzenden naar Duitschland om die met de Duitsche gevangenen te kunnen uitruilen? Schandaliger oorlog in onze beschaafde 20ste eeuw is niet uit te denken. Wie had dat van Duitschland durven denken? Mannen die zich te zeer gecultiveerd noemen!

Wij blijven christenmen, ondanks alles, en ons hart voedt noch haat noch gevoelens van wraak. Maar toch kunnen wij ons niet onthouden in ons hart te jubelen, wanneer wij de overwinningen der Russen vernemen in Noord-Oost-Duitschland. De millioenen horden zullen daar voortrukken, en het Belgisch gestorte bloed, en de xxx tranen hier egstort, zal daar door meer stromen bloed nog, door oneindig meer tranen, worden gewroken. Heer, vergeef het ons, dat zoo’n gevoelen in ons harte doordringt. Het iss toch onmenschelijk in zijn onmenschelijkheid!

Wat ons van den beginne aan, van dezen verraderlijken tocht door België, tegen de borst stuit, dat was de onmenschelijke manier van liegen, welke men het soldatenvolk oplegt. De passieve Duitsche soldaat doet al en zegt al, wat zijne oversten hem doet doen en doet zeggen, zelfs de grofste leugens. Hier in Tongeren onder andere wordt ook zelfs weer over het gebeurde in Tongeren, en nu lezen wij heden in De Tijd te Amsterdam, dat een Duitsch blad, de “Hannoverse Courier”, schrijven durft: “De gruweldaden, aan onze gewonden gepleegd, stempelen de Belgen van beiderlei geslacht tot bloeddorstige dieren.”

En zooiets moet men beleven in het christelijke België met zijn ultra-montaansche regering en zijn 70.000 geestelijken!

Wij hebben hier in zekere mate te doen met een herhaling van den Bartholomeusnacht, met den bloedbruiloft. Op zoo’n enormiteit van een leugen, zou antwoorden dom zijn.

‘t Duitsche volk wist niet waarom het tegen België streed, het tot dusverre vriendenland, de handelsgebuur, in het groote voordeel van Duitschland. Met leugens moeten de harten tegen België worden verbitterd, zeker opdat de soldaat van Willem – de Bloeddorstige – niet in de lucht zouden schieten.

In het atheneum zijn, God weet hoe, 211 zieke paarden gestald, een 100-tal in de kostelooze jongens-gemeenteschool er achter, en nevens mij in het huis van mr. Slegers, ook wel een 30-tal.

Wij leven hier dus in ‘t midden van een pak kranke paarden. Vele er van lijden aan den strengel en hoesten schor. Verschillige van mijne huisgenoten zijn verkouden. Is ‘t die vuile smetting die op hen drukt?