Zomerreeks Liedjes

© HBvL

De kloof des doods

Wie de prachtige kloof van Wittenoom aanschouwt, krijgt meteen een bitterzoete ervaring. Niks laat vermoeden dat onder deze helderblauwe lucht en in deze goddelijke omgeving het ergste drama uit de industriële geschiedenis van Australië plaatsvond. Midnight Oil zong de rampzalige asbestmijn de popgeschiedenis in met de hit ‘Blue Sky Mine’ uit 1989.

MaLu

Op 1.450 kilometer van Perth ligt Wittenoom, midden in de ‘vallei des doods’. Als je door de kloof rijdt, waarschuwen borden dat je je raampje moet dicht laten en dat kinderen niet in het asbeststof mogen spelen. Van asbest krijg je namelijk kanker. Maar dat is pas geweten sinds de jaren ‘90...

Peter Miller bediende de drilboor vanaf 1963. ‘Soms was het stof in de mijn zo dik dat je niks meer zag. We kregen van die papieren beschermmaskers, maar je kon er niet door ademen en dus deden we ze weer af. Als we uit de mijn kwamen, waren we net grijze geesten. Uitbater CSR gaf de arbeiders geen enkele waarschuwing over het blauwe stof dat je al van mijlenver boven Wittenoom kon zien hangen. Niemand heeft ons ooit verteld dat het gevaarlijk was.’

Van 1940 tot de jaren ‘60 was Wittenoom de voornaamste asbestleverancier van Australië. Bij het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog was de vraag naar asbest erg groot. Het werd verwerkt in gasmaskers. Wittenoom werd een florissant stadje. De arbeiders kregen er 40 dollar per uur, terwijl het gemiddelde loon toen 16 dollar per uur bedroeg.

Mijnwerkers moesten regelmatig een x-ray laten nemen van hun borstkas. De bedrijfsdokters reikten dan een roze of een groene kaart uit. Een roze kaart betekende dat er iets mis was met je longen. Maar niet dat je niet meer moest werken. De roze kaarthouders moesten werken tot ze te ziek waren...

In 1966 gingen de deuren dicht omdat de mijn niet meer rendabel was, maar toen waren al honderden mannen met asbestose besmet. De meeste daarvan waren weggelokt uit het naoorlogse verpauperde Europa. In Australië zelf ging de slechte reputatie van de mijn toen al rond als een lopend vuurtje. De voornamelijk Italiaanse migranten werden rechtstreeks van de boot gehaald en de mijn des doods in gestuurd. In het Italiaanse dorpje Vermiglio is er een kerkhof dat tot ‘Wittenoom’ is omgedoopt.

In zijn natuurlijke staat is blauwe asbest een compleet onschadelijk materiaal. Alleen het stof dat vrijkomt bij het boren is dodelijk. In al hun naïviteit gebruikten de oorspronkelijke stichters asbest zelfs in tuinen, voor de wegen en op schoolpleinen.

Wittenoom is nu een spookstadje, maar de dertig bewoners die er nog zijn, vinden dat ze het slachtoffer zijn geworden van een door de overheid in gang gezette hysterie. In de plaatselijke souvenirshop vind je cynische bumperstickers met de vermelding I’ve been to Wittenoom and lived. In 1979 probeerde de overheid de bewoners te dwingen weg te gaan door het water en de stroom af te sluiten. De dorpelingen beweren dat de overheid de bewoners helemaal niet weg wil om gezondheidsredenen, maar omdat er een chic vakantieoord moet komen.

Toch spreken de cijfers voor zich. Van de 20.000 mannen, vrouwen en kinderen die in de hoogdagen van de mijn in de streek woonden, stierven er meer dan 1.000 aan ziektes die met asbest geassocieerd worden, zoals asbestose en longkanker. De gevolgen zullen nog twintig jaar voelbaar zijn. Er is zelfs al asbest aangetroffen in de longen van baby’tjes. Van de totale bevolking van destijds zal uiteindelijk één op de tien mensen gestorven zijn door het inademen van het blauwe asbeststof.

De firma CSR, die de mijn exploiteerde, wijst ondertussen de verantwoordelijkheid af. De dossiers van de personeelsleden werden vlak voor de sluiting vernietigd, zodat niemand kan bewijzen dat hij er ooit gewerkt heeft. Pas in 1988 kreeg ene Klaus Rabenault een schadevergoeding van 30 miljoen frank toegekend door een rechtbank; Maar Rabenault vond dat een habbekrats. ‘Ik zou zoveel geld moeten krijgen dat ik het hele bedrijf zou kunnen opkopen en ontmantelen’, zei hij vlak voor zijn dood. ‘Pas dan zou gerechtigheid geschied zijn.’