Graffiti op zaterdag

Bedrieglijke straten

Print
Aflevering nr. 1073 - Een nieuwe dag en een nieuw begin, bedacht ik terwijl ik naar boven liep. De purperen bloemen van de jacarandabomen vormden een mooi contrast met de roze en gele façades van de oude huizen. Gisteren stapte ik door groezelige straten vol graffiti en vuil, en vandaag al dit schoons.

Voor het eerste stuk van m’n klim had ik een tram genomen die moeiteloos tot boven raakte, waar ik een prachtig uitzicht over de stad kreeg.

Een beetje verderop stond een oude Japanner een olieverfschilderij van de straat met jacaranda’s te maken. Ik liep hem eerst voorbij, maar keerde dan op mijn passen terug. Met het weinige Japans dat ik bezit vertelde ik hem hoe mooi ik zijn schilderij vond.



De man begon te stralen, maar de waterval van dankwoorden en vragen waarmee ik vervolgens door hem overspoeld werd, kon ik niet volgen. Hij glimlachte begrijpend. De geur van zijn olieverf riep herinneringen bij me op. Op zijn palet lag het purper van de jacaranda’s, het roze en geel van de huizen, en het blauw van de lucht.

In een eethuisje waar mensen die in de buurt werkten kwamen lunchen, bestelde ik een broodje met kaas. De kelner vertelde me dat ik aan een tafeltje zonder tafellaken moest gaan zitten – dat was blijkbaar voor de ‘soepen broodjesmensen’ gereserveerd. Het voelde wat als discriminatie aan.

Tegenover me at iemand sardientjes. Tussen zijn twee wijsvingers hield hij voorzichtig de kop en de staart van het gebakken visje geklemd terwijl hij met de snijtanden in het lijfje beet zodat de vis achter zijn kiezen terecht kwam zonder het graatje te breken. Als dessert bestelde hij een bordje flanpudding en een koffie. Zonder zijn handen te wassen ging hij naar de kassa. Hij betaalde met een briefje van vijf euro dat hij een paar keer door zijn handen liet glijden. De volgende bezitter van het biljet zou ook de eigenaar worden van de sardienengeur, bedacht ik. Ik voelde in mijn broekzak om te zien of ik genoeg geldstukken had om contant te betalen.

Wie een stadskaart van Lissabon bestudeert, merkt dat er heel wat rechte straten zijn. Maar wat die kaart niet vertelt, is dat je soms tot twee keer bergop en bergaf moet als je de lengte van zo’n straat afloopt.

Ik was naar Lissabon gekomen om de stad van Fernando Pessoa (1888-1935) te zien. Ik wilde door de straten en parken lopen waar de beroemde dichter en schrijver ooit zelf voet had gezet. Tijdens zijn leven genoot Pessoa geen bekendheid – hij kreeg slechts één boek gepubliceerd en verkeerde vaak in grote armoede. Als hij in een restaurantje zat en geen geld had om iets te bestellen, schoven vrienden de helft van hun bord naar hem toe zodat hij iets kon eten. Met het maken van reclameteksten kon Pessoa enkele escudo’s bijverdienen. Zo schreef hij in 1928 een advertentie toen Coca-Cola in Portugal voor het eerst geïntroduceerd werd: ‘Eerst smaakt het vreemd, maar dan bevalt het’. Pas vele jaren na zijn dood vond men een kist van de schrijver met daarin honderden manuscripten, waaronder het prachtige ‘Boek der Rusteloosheid’. Een van de belangrijkste schrijvers en dichters van Europa had in Lissabon geleefd, zonder dat men het wist.

Ik zat in het parkje vlakbij het huis van Pessoa. Na al het klimwerk ging ik op een bank zitten om m’n benen te laten rusten. Waar zou Pessoa hier gezeten hebben? Keek hij ook naar de duiven? Of naar de bomen?

Het huis waar de schrijver de laatste vijftien jaar van zijn korte leven had doorgebracht, was helemaal opgeknapt. Ik had gelezen dat ik er zijn bibliotheek die hem zo dierbaar was, zijn kamer en bezittingen zou kunnen zien.

Binnen was het tropisch heet. Een Italiaanse architect had de binnenkant van de woonst volledig afgebroken en door nieuwbouw - met een vergaderruimte en een projectiezaal - vervangen. Gelukkig was er nog het slaapkamertje van Pessoa dat authentiek leek. Ik schoot kiekjes van zijn bed en wandspiegel, en van zijn kostuum en een paar oude schoenen. Beneden maakte ik nog enkele kiekjes van zijn bibliotheek. Opdracht volbracht, was het gevoel.

Voor ik het huis verliet, praatte ik nog even met een mevrouw die daar werkte en een beetje Engels verstond. Ik vroeg haar waarom er in Pessoa’s kamer zoveel medische spullen lagen – ik had nooit geweten dat hij daar interesse voor had. De mevrouw legde uit dat die dingen niet van de schrijver waren. Ze legde uit dat regelmatig iemand werd uitgenodigd om de kamer in te richten en spullen bijeen te zoeken die van hoofdfiguren uit Pessoa’s boeken zouden kunnen geweest zijn. Ik wees naar het kostuum. Niet van Pessoa, zei ze. En de spiegel? Ook niet. En het bed? Ook niet. En zijn dierbare bibliotheek? Ook niet...

Tot mijn ontsteltenis leerde ik van haar dat slechts twee dingen van de man waren – een commode die hij als schrijftafel zou gebruikt hebben en een schrijfmachine. Beneden vond ik gelukkig nog enkele notitieboekjes van Pessoa achter glas.

Ik zat terug in het parkje met de bomen en de duiven. Ik wilde naar huis. Lissabon was voor mij zoals haar bedrieglijk rechte straten, die steil bergop- en bergaf liepen. Het ene moment voelde ik me hier gelukkig, het andere helemaal niet.

Ik keek naar een oude man die op de bank tegenover me ging zitten. De duiven hadden op hem gewacht. Met de linkerhand voedde hij de vogels met de graantjes die hij in zijn hand hield, maar met de rechter sloeg hij op ze als ze te dicht bij kwamen. Bedrieglijke handen.

Good luck en tot ziens.

Dr. Frans BAERT