Graffiti op zaterdag

Kostbaar

Print
Kostbaar

Kostbaar

Aflevering nr. 1028 - Kostbaar, de glunderende gezichten van mijn zonen toen we eindelijk het huis van ‘grandma’ bereikt hadden. Al heel lang hebben ze ernaar uitgekeken om hun Amerikaanse oma weer te zien.

* * *

Het vliegtuig waarmee we van Zürich naar LA gevlogen waren, was van een neus- en een buikcamera voorzien. De hele vlucht lang konden we beelden bekijken van de landschappen die onder ons voorbijgleden. Nooit eerder meegemaakt. Toen we na een paar uren vliegen Groenland achter ons lieten liggen, zag ik plots honderden witte stippen op zee drijven. Pakijs.
Een uurtje later vlogen we opnieuw boven land. Boven Canada. Hier was al het ijs gesmolten, behalve in de grote kraters, waarin tegen de zuidelijk gelegen rand - die niet door de warme stralen van de zon kon bereikt worden - een sikkelvormige ijslaag was blijven liggen. Die ijsresten waren soms geel van kleur, soms oranje. Een buitenaards ogend landschap. Onvergetelijk. Kostbaar.
Terwijl we verder over onherbergzame gebieden vlogen, bedacht ik hoe ik de jongste maanden van de ene verre plek naar de andere gereisd ben. Nooit eerder gedaan. Het deed me denken aan het kiekje dat ik enkele weken geleden in Zuid-Frankrijk schoot, van de jonge verkoper die zijn posters op straat had geëtaleerd en als een hert naar de open plekken tussen zijn waren sprong om een poster voor een juffrouw op te pikken. Zo voelde ik me ook, als een rondspringend hert: naar Japan, de Provence, en nu naar Californië. Een kostbaar voorrecht om in een tijd te leven waarin zoiets mogelijk is. Op amper elf uur in Tokio. Hoeveel maanden had Abel Tasman vier eeuwen geleden nodig om van Texel naar Japan te varen?

* * *

Mijn schoonmoeder had voor een feestmaal gezorgd. Er werd gesmuld en gelachen. Ondanks twee vluchten en een behoorlijk tijdsverschil, leek alle vermoeidheid even van ons afgevallen.

* * *

Toen we over het uitgestrekte Los Angeles vlogen, ontwaarde ik dankzij de neuscamera de luchthaven in de verte. De landingsbaan van L.A.X. leek te smal voor een grote Airbus. Ik vond het best eng en was daarom nog meer opgelucht dan anders toen ons vliegtuig een veilige landing had gemaakt. Aan de douane stond de piloot van onze vlucht toevallig achter ons. Ik vertelde hem dat ik even bang was geweest omdat de landingsbaan te klein leek voor ons vliegtuig. Hij vertrouwde me toe dat hij zelf telkens weer diezelfde ervaring heeft: “Na duizenden kilometers vliegen moet ik mijn kist op een baan van amper veertig meter neerzetten. Het blijft een beetje eng, ook voor mij.”

* * *

Nadat we de kinderen in bed hadden gestopt, wilden m’n vrouw en ik ook gaan slapen. Ik ging als eerste naar ons zolderkamertje boven de garage - ik heb ooit een hele column aan die speciale plek besteed. De zolder is tegelijk logeerkamer, badkamer en kantoor.
Toen ik de douchedeur van de badkamer opende, schrok ik. Vlak voor m’n voeten zat een afschuwelijk grote spin dreigend naar me te staren. Thuis aarzel ik niet om ongewenste insecten in een glas te vangen en dan buiten vrij te laten. Maar hier vond ik geen glas en ik herinnerde me bovendien van vroeger dat de plaatselijke spinachtigen gevaarlijk kunnen bijten. Ik probeerde tevergeefs met een leeg zeepdoosje de spin te vangen. De vermoeidheid van een tocht van 24 uur zonder veel slaap, begon plots te wegen. Ik besloot er korte metten mee te maken en zocht naar iets om de spin mee om te brengen.
Mijn oog viel op een plastic naambordje op het bureau van de man van mijn schoonmoeder. Ideaal moordwapen, zo bleek. De spin was met één klap dood, maar het naambordje was tegelijk ook in twee stukken gebroken - bijna drie (het derde stuk bengelde er nog wat aan). Waarom had ik niet gewoon mijn eigen schoen of zo gebruikt?
Mijn vrouw kwam even later binnen. Ik vertelde haar over mijn ongelukje. Zij vond dat ik mijn zonde moest opbiechten en een nieuw bordje moest laten maken. Dat ik van plan was om de volgende ochtend een tube superlijm te kopen om het ding weer te plakken, vond ze van weinig persoonlijke moed getuigen.
De volgende dag legde ik een tijdschrift als onderlegger op het bureau en plakte met ‘crazy glue’ de stukken weer aan elkaar. Ik hield mijn wijsvinger iets te lang op het gelijmde deel van het naambordje en had daarna de allergrootste moeite om mijn vinger los te trekken. Enkele lijmdruppels waren ook door het tijdschrift gesijpeld en het papier plakte aan het bureau vast... Tot overmaat van ramp leek het resultaat van mijn werk nergens op. De barsten waren zichtbaar en er ontbrak een stukje dat ik nergens kon terugvinden...
Ik besloot om alles eerst aan mijn schoonmoeder op te biechten. Zij kende haar man beter en kon me vertellen wat er voor me zwaaide als hij ontdekte wat ik gedaan had. Hij is al vijftien jaar met pensioen en dat plastic naambordje met de naam van zijn firma is zowat het enige souvenir uit die tijd dat ik in zijn kantoor heb zien liggen. Ongetwijfeld een kostbaar voorwerp voor hem.
Ik begon mijn verhaal aan mijn schoonmoeder met een beschrijving van de confrontatie met de spin en toonde haar dan de schade die ik had aangericht. Ze begon hartelijk te lachen en wees naar andere kapotte dingen op het bureau die ik nog niet gezien had: een stukgevallen lijst rond een familiefoto, een gelijmd vaasje waarvan de barsten nog zichtbaar waren... Kwam dat door de aardbevingen die dit gebied regelmatig teisteren, of hadden vorige bezoekers ook op het bureau naar wapens gezocht om gevaarlijke dieren mee te doden?
Het was helemaal niet erg, zei ze. Haar man zou ermee kunnen lachen, verzekerde ze me.
Een geweldige schoonmoeder, die van mij. Kostbaar.

* * *

Nadat ik mijn zoon het kiekje van de springende posterverkoper had getoond, merkte hij op dat op de muur in de foto een bord hangt van iemand die ook zo’n hertensprong maakt. Een dubbelsprong dus. Een zoon die zoiets voor zijn vader kan zien, die is heel kostbaar.

Good luck en tot ziens.

Dr. Frans Baert