“Ik werk 100 uur per week”

Bilzen - Hij is een combinatie van Eddy Wally en Ronnie O’Sullivan. Want hij werd geboren als marktkramer en schopte het ook tot snookerkampioen. Hij, dat is Danny Lathouwers. Negendertig, afkomstig uit Bilzen, zelfstandig bloemist én - voor de tweede keer nu al -
Belgisch kampioen snooker. “En dan te weten dat ik omwille van m’n zaak al bijna tien jaar niet meer kan trainen”, lacht Lathouwers. “Ik werk immers meer dan honderd uur per week. En ik heb nog een bijkomende handicap. Ik heb een lui oog.”

Danny Lathouwers zit duidelijk niet verlegen om een straffe stoot. Naast een resem Limburgse snookertitels pakte de Bilzenaar eerder al eens een Belgische (1993) en Europese (1994) titel! In 1996 waagde hij zelfs even z’n kans in het profcircuit, maar al snel koos hij opnieuw voor z’n zaak.

En omdat die bijna al z’n tijd opslorpt, zette hij z’n keu zelfs twee jaar (van 2000 tot 2002) aan de kant. Maar uiteindelijk keerde hij ook hier weer op z’n stappen terug. Met succes. Want in de Luikse interclub (Lathouwers speelt voor Academy Herstal Snookerclub, nvdr) maakte hij al twee 147-breaks. En nu kroonde hij zich in Alken dus opnieuw tot Belgisch kampioen. “Precies vijftien jaar na m’n eerste nationale titel”, lacht Lathouwers. “Daar ben ik echt fier op. Ik ben geboren met een lui oog. Ik zie links maar 12 procent. Maar rechts wél 110 procent hé”

Je hebt je handen vol met de bloemenzaak.
“Absoluut. Ik heb de zaak van m’n vader overgenomen. We staan viermaal per week op markten in het Luikse. Met bloemen die we allemaal zelf kweken in onze tuin en serres. Van geraniums over begonia’s tot chrysanten, noem maar op. Daar kruipt enorm veel tijd en werk in. Ik vertrek meestal ‘s ochtends al rond vier uur naar de markt. Van april tot juni werk ik dan meer dan honderd uur per week. Tot half augustus kan ik me echt geen dag vrij permitteren. Maar dat heeft ook z’n voordeel: ik heb geen tijd om stress te krijgen voor een snookerwedstrijd. Soms denk ik wel eens: hoe beter ik speel, hoe sneller het spel afgelopen is. En hoe sneller ik dus weer aan het werk ben (lacht). Ik speel trouwens nooit tegen m’n tegenstrever, maar wel tegen de tafel.”

Ook als je tegenstrever pakweg Stephen Hendry heet?
“Ook dan, ja. Ik heb er op 9 maart 1989 - ik ben sterk in cijfers - een keer tegen gespeeld in Hasselt. Drie-twee verloren, driemaal op de zwarte bal! Ik herinner me nog goed dat m’n hoogste break op dat moment veertig was. Dat was zo in die periode. Toen werd er vooral verdedigend gespeeld, nu valt men voortdurend aan. Maar uitgerekend tegen hem zette ik toen breaks van 41 en 47 neer. Nu heb ik met m’n club in Luik al twee keer een 147-breek gemaakt!”

Wanneer wist je eigenlijk dat je aanleg had voor snooker?
“Vrij snel (lacht). Ik was zeventien toen ik in de kantine van Ter Kommen in Hoeselt voor het eerst in m’n leven een snookertafel zag staan. Net een ufo, zo groot! Maar amper drie maanden later was ik al Limburgs kampioen. En in de eerste 4,5 seizoenen dat ik interclub speelde in Limburg, leed ik niet één nederlaag. Tja, zo steek ik nu eenmaal in mekaar: of ik doe het goed, of ik doe het niet. Zo heb ik de eerste elf jaar twee tot zes uur per dag getraind en kocht ik een eigen snookertafel, om niet meer afhankelijk te zijn van anderen.”

Met resultaat, want je werd Europees kampioen!
“Ja. In 1994. Dennis Garrisson, professioneel keumaker en een persoonlijke vriend, gaf me kort voor dat EK een nieuwe keu. Daarmee word jij Europees kampioen, zei hij. En hij kreeg nog gelijk ook. Hij was het ook, die me in het profcircuit gelanceerd heeft. En vermits die tornooien in Engeland toen voornamelijk in augustus waren, kon ik dat combineren met de zaak. In m’n eerste twee wedstrijden maakte ik al meteen twee honderd-breaks: 137 en 122. Er zijn er slechts weinigen, die dat nog kunnen zeggen. Enkel Hendry, O’Sullivan en nog een enkeling slaagden daarin. Ik won veertien van m’n zeventien wedstrijden. Maar door een ongeval - ik werd met de fiets aangereden door een auto - moest ik nadien forfait geven. En toen het jaar daarna de tornooien in de drukke bloemenperiode vielen, besloot ik de voorkeur te geven aan de zaak.”

Hoe hoog ligt het niveau in België eigenlijk? Met alle respect: maar als iemand zonder training en mét lui oog de titel kan pakken...
“Oh, maar vergis je toch maar niet, hoor. Engeland is uiteraard de absolute top, maar België staat op Europees (amateur)vlak zeker z’n mannetje. Ik noem je zo zestien namen van landgenoten, die in de top 200 van de wereld horen. En wat dat lui oog betreft: ik zie - al vanaf m’n geboorte - door m’n linkeroog inderdaad slechts twaalf procent. Dat speelt me soms parten bij m’n dieptezicht. Maar ik zie rechts wél 110 procent hé (lacht). Als ik snooker speel, ben ik nu eenmaal heel erg gefocust. Dan mag er bij wijze van spreken zowel links als rechts van de tafel een bom ontploffen. Dan nog zal ik eerst m’n shot plaatsen en pas dan gaan kijken en wat er precies gebeurd is.”

Immo

Auto's in de kijker

Jobs in de regio