Naar een interfederaal antidiscriminatiecentrum

Print
23 JULI 2013 - De Senaat keurde vrijdag 19 juli, in zijn laatste zitting voor het reces, de "interfederalisering" van het Centrum voor Gelijkheid van Kansen en Racismebestrijding goed. Dit ontwerp moet nog naar de Kamer. Tegelijkertijd stemde de Senaat in met een nieuw centrum voor migratiestudies, vreemdelingenrechten en de strijd tegen de mensenhandel. Die wet werd eerder al door de Kamer goedgekeurd. De "splitsing" van het huidige Centrum voor Gelijkheid van Kansen en Racismebestrijding (CGKR) in een interfederaal en in een federaal centrum is nodig omdat ons land anders niet meer in orde is met de richtlijnen van de Europese Unie. Alleen had het ook anders gekund en bovendien gebeurde de hervorming van het huidige CGKR fantasieloos en zonder discussie over de rol van deze instellingen en over de wetten die zij toepassen. Een overzicht van het debat.

Het huidige Centrum voor Gelijkheid van Kansen en Racismebestrijding (CGKR) wordt gesplitst in twee stukken: er komt één "interfederaal centrum" om de strijd tegen alle discriminaties te voeren. Dat interfederaal centrum zal bevoegd zijn voor discriminaties in België, maar ook in de deelstaten (Vlaanderen, Wallonië, Brussel, de Oostkantons…), behalve voor discriminatie op grond van geslacht en taal.

Momenteel is het huidige CGKR van directeur Jozef De Witte alleen bevoegd voor de strijd tegen discriminatie in federale zaken, niet in bevoegdheden van de Gewesten of de Gemeenschappen. Niet dus bij de Lijn, in het onderwijs, in de Vlaamse administratie, de Vlaamse welzijnssector, bij de VDAB e.d. Dat mocht niet meer van Europa. Vlaanderen moet van Europa een instelling hebben die minimaal bevoegd is voor discriminatie op basis van geslacht, ras en etnische afstamming bij het leveren van goederen en diensten, de arbeidsbetrekkingen en de sociale bescherming, de beroepsopleiding, het lidmaatschap van een werkgevers- en werknemersorganisatie. En verder in het onderwijs, voor zover het gaat om discriminatie op basis van ras en etnische afstamming. Bovendien moet Vlaanderen een instelling hebben om toe te zien op de rechten van gehandicapten, volgens een internationaal verdrag.

De Vlaamse gemeenschap had voor die Vlaamse bevoegdheden een eigen Vlaams discriminatiecentrum kunnen oprichten. Zoals dat op vele andere domeinen gebeurde (onderwijs, arbeidsbemiddeling en binnenkort ook de kinderbijslag, de jeugdscherming…) had Vlaanderen ook hier kunnen pleiten voor een apart Vlaams centrum. Maar vooral de sp.a was daartegen en de N-VA gaf toe. Daarom komt er dus dit nieuwe interfederaal centrum. Het gaat dus om een "interfederalisering" van bevoegdheden. (Voor meer uitleg over de voors en tegens van een interfederalisering, zie hier, nvdr).

Geen enkele deelstaat van België is momenteel in orde met de verplichtingen van Europa en van de Verenigde Naties, zoals België die heeft goedgekeurd.

Dit artikel schetst eerst de bevoegdheden van het nieuwe interfederaal centrum en behandelt daarbij de kritiek van de Raad van State hierop. Vervolgens gaat het in op de bevoegdheden van het nieuwe federaal centrum. Tenslotte brengt het enkele kritische bedenkingen bij deze hervorming.

 

1. HET INTERFEDERAAL CENTRUM

 

1.1. WAT IS HET?

Er komt dus een interfederaal centrum voor de strijd tegen discriminatie op grond van alle criteria uit de antidiscriminatiewet van 2007, behalve gender en taal. Dat interfederaal centrum zal bestaan uit federale vertegenwoordigers en vertegenwoordigers van de deelstaten. Acht overheidsorganen die discriminatie bestrijden zijn hierbij betrokken en zij sloten op 23 juli 2012 een samenwerkingsakkoord hierover voor drie jaar. Dat akkoord moet door alle parlementen van de betrokken organen worden goedgekeurd. Het kwam als eerste aan bod in de Belgische Senaat, het moet nu nog naar de Belgische Kamer en de zeven andere "parlementen".

== De Raad van Bestuur van het nieuwe interfederaal centrum bestaat uit 21 leden, op één na evenveel vrouwen als mannen. Er zullen op ook evenveel Nederlandstaligen als Franstaligen zetelen, maar er komt één Duitstalige bij die onder de Franstaligen valt.

== Het IFC zal vier kamers tellen: een federale (10 leden), een Vlaamse (4 leden, aangeduid door het Vlaams parlement), een Franstalige (4 leden, waarvan 2 aangeduid door het parlement van het Waals Gewest en 2 door het parlement van de Franse Gemeenschap) en een Brusselse (2 leden). De Franstalige kamer wordt aangevuld met een lid van de Duitstalige gemeenschap. Ieder parlement kan zijn eigen kamers uitbreiden tot maximum 15 leden, maar die bijkomende leden zetelen niet in het interfederaal bestuur. Het Duitstalige lid behoort tot de Franstalige Kamer, maar mag deelnemen aan de vergaderingen van het interfederaal bestuur. Het mag echter alleen meestemmen over Duitstalige aangelegenheden.

== Het interfederaal bestuur én de kamers kunnen maar stemmen als tenminste een meerderheid van de leden aanwezig is, met een minimum van twee. De Brusselse kamer moet dus altijd voltallig zijn om te kunnen beslissen, tenzij het Brussels Gewest en de Brusselse gemeenschapsorganen het ledental van hun Brusselse kamer verhogen tot maximum 15.

Als het quorum niet bereikt is dan kan het interfederaal bestuur na 72 uur opnieuw stemmen met de leden die er dan zijn. Beslissingen worden genomen met een absolute meerderheid en er kan niet bij volmacht of per brief worden gestemd. Bij staking van stemmen is het voorstel verworpen. De stemming gebeurt bij handopsteken, behalve als de covoorzitters of twee derde van de leden een geheime stemming vragen én bij beslissingen over personen.

== Als twee kamers bekvechten over een dossier, dan hakt de interfederale raad van bestuur (21 leden) de knoop door met een absolute meerderheid van de aanwezigen. Het interfederaal bestuur beslist dan zelf. Dossiers "met een gedeelde bevoegdheid", met essentiële elementen die onder twee kamers vallen, komen ook onder bevoegdheid van de interfederale raad.

== De bestuursleden worden benoemd door de parlementen op basis van hun competentie. Politici (behalve politici op lokaal niveau zoals gemeenteraadsleden en schepenen) en kabinetsleden kunnen geen bestuurslid zijn. Om een goede spreiding van de bekwaamheden te bevorderen komt er overleg tussen alle parlementen. De benoeming gebeurt voor 6 jaar, maar ze kan twee keer verlengd worden. Samen dus: 18 jaar.

== Er komen twee co-directeurs, die eveneens voor 6 jaar worden benoemd, met mogelijk twee verlengingen na een evaluatie. Ze kunnen dus ook 18 jaar lang directeur blijven. Ze moeten van verschillend geslacht en van een verschillende taalrol zijn. Ze beslissen collegiaal over de begroting, de taken van iedereen in de organisatie, de uitvoering van een driejaarlijks strategisch plan in de strijd tegen discriminatie, een jaarlijks operationeel plan om het strategisch plan uit te voeren.

== De personeelsleden van het huidige CGKR worden gewoon overgenomen. Uitzondering zijn zij die bezig zijn met mensenhandel, rechten van vreemdelingen en de studie van de migratie: zij gaan naar een apart federaal centrum.

== Daarnaast komen er lokale meldpunten voor discriminatie. De Gewesten en Gemeenschappen richten die op waar ze willen. Die lokale meldpunten proberen klachten van burgers via bemiddeling af te handelen, ze ontwikkelen netwerken om samen te werken bij klachten over discriminatie, ze stimuleren een antidiscriminatiebeleid. In Vlaanderen bestaan die lokale meldpunten al, in Wallonië nog maar amper. Het is de bedoeling dat die lokale meldpunten zo regionaal mogelijk gespreid zijn.

== Voor discriminaties op grond van geslacht en op grond van taal is het nieuwe IFC niet bevoegd. Het is wel ook bevoegd om het Internationaal Verdrag van 13 december 2006 over rechten van personen met een handicap uit te voeren.

== De interfederale raad van bestuur mag van het akkoord zijn eigen huishoudelijk reglement opstellen. Dat is hoogst uitzonderlijk, maar dit reglement mag uitsluitend betrekking hebben op de interne organisatie van de interfederale raad. Het mag geen rechten of verplichtingen aan derden geven, zoals bv. aan personen die zich met een klacht tot het IFC wenden.

== Het toekomstige "interfederaal centrum" krijgt op kruissnelheid, in 2015, 7,84 miljoen euro van de overheid. 6,2 miljoen euro moet worden opgehoest door de federale staat en nog eens 1,64 miljoen door de deelstaten. Vlaanderen moet van die laatste som 48% betalen, Wallonië 36%, Brussel 3% en de Duitse gemeenschap 1%.

== Het akkoord moest uiterlijk op 30 juni 2013 goedgekeurd zijn door alle betrokken parlementen. Einde dit jaar zou de interfederale raad van bestuur dan in werking moeten zijn. Momenteel heeft alleen nog maar de Senaat het akkoord goedgekeurd, de Kamer zal pas in oktober volgen. Het akkoord is ondertekend door acht partijen: de federale staat (waarbij Kamer én Senaat het moeten goedkeuren), Vlaanderen, de Franse Gemeenschap, de Duitse Gemeenschap, de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie, het Waals Gewest, het Brussels Gewest en de Franse Gemeenschapscommissie. Door de ongelijke verdeling van instellingen aan Vlaamse en Franstalige kant zijn er dus meer Franstalige ondertekenaars dan Nederlandstalige. Rudy Vervoort ondertekent voor twee instellingen: het Brussels Gewest en de (Brusselse) Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie.

Het akkoord loopt drie jaar en wordt daarna stilzwijgend verlengd. Iedere ondertekenaar kan het na drie jaar opzeggen door een brief aan alle parlementsvoorzitters die ten laatste zes maanden voor die drie jaar om zijn, moet worden bezorgd. Om het akkoord te veranderen moeten de acht ondertekenende partijen hun toestemming geven.

== Minister van Gelijke Kansen Joëlle Milquet (cdH) wil "in het najaar" ook het Instituut voor Gelijkheid van Vrouwen en Mannen, dat nu bevoegd is voor de strijd tegen discriminatie op grond van geslacht en dat dus vrouwen en transseksuelen onder zich heeft, "interfederaliseren" en omvormen tot een Genderinstituut.De naam van huidig Senaatsvoorzitster Sabine de Bethune (CD&V) wordt al genoemd om dat instituut te leiden. Bovendien komt er daarna nog eens "Koepelinstituut voor de Mensenrechten", die beide organisaties én het nieuwe Centrum dat migratie, mensenhandel en vreemdelingenrechten bestudeert, moet overkoepelen en alle mensenrechtenorganisaties van de overheid bijeen moet brengen in één orgaan.

1.2. WAT VOND DE RAAD VAN STATE?

De Raad van State leverde op 5 februari 2013 een advies af over het samenwerkingsakkoord van 23 juli 2012. De data zijn hier van groot belang. Wat staat er zoal in?

* Positief vindt de Raad dat de bestuursleden van het IFC worden benoemd door het parlement. Volgens de Raad is dit "een waarborg voor hun onafhankelijkheid en voor het pluralisme" (sic).

* Negatief vindt de raad de regeling voor burgerlijke partijstelling. Het IFC kan zich burgerlijke partij stellen in rechtszaken op grond van een reeks van wetten, decreten en ordonnanties. Het samenwerkingsakkoord van 23 juli 2012 bevat zo'n lijst. (Maar die lijst is ondertussen al gewijzigd, nvdr).

De Raad van State stelde in zijn advies van 5 februari 2013 vast dat een aantal van de genoemde wetten (decreet van de Duitse gemeenschap van 17 mei 2004 en de Brusselse ordonnantie van 26 juni 2003) al zijn afschaft. Zich burgerlijke partij stellen op basis van afgeschafte wetten is natuurlijk onmogelijk. Verder staan er volgens de Raad enkele wetten in de lijst waarvoor zo'n burgerlijke partijstelling niet kan (bv. de Brusselse ordonnantie van 4 september 2008) en zijn een aantal andere belangrijke wetten vergeten (de Brusselse Huisvestingscode van 17 juli 2003 en de antipestwet van 4 augustus 1996).

Wie echter het samenwerkingsakkoord van 23 juli 2012 leest zal merken dat de Brusselse Huisvestingscode én de antipestwet wél zijn opgenomen in de lijst van wetten waarvoor het IFC zich burgerlijke partij kan stellen. Dit is verrassend, maar het mag, want iedere overheid (federale staat of deelstaat) mag voor zijn eigen bevoegdheden de wetten op grond waarvan burgerlijke partij door het IFC mogelijk is, uitbreiden of beperken.

Bovendien zal de lezer vaststellen dat de afgeschafte decreten en ordonnanties (Duits decreet van 17 mei 2004 en Brusselse ordonnantie van 26 juni 2003) uit het samenwerkingsakkoord zijn verdwenen. Blijkbaar hebben dus ook de Duitse regering en het Brussels Gewest het samenwerkingsakkoord al veranderd nog voor het door enig parlement is goedgekeurd. Het Brussels Gewest heeft daarbij wel de ordonnantie van 4 september 2008 over het diversiteitsbeleid in de ambtenarij laten staan, terwijl de Raad van State erop gewezen had dat een centrum op basis van deze ordonnantie geen burgerlijke partijstelling kan doen. Begrijpe wie kan, want er wordt allemaal geen enkele uitleg over gegeven in de memorie van toelichting.

Ook een Waals decreet van 19 maart 2009 over discriminatie van vrouwen op de werkvloer, dat volgens de Raad van State in zijn advies van 5 februari 2013, nutteloos in de lijst van decreten voor burgerlijke partijstellingen staat, is uit de lijst die de Senaat goedkeurde verdwenen. Blijkbaar heeft dus ook het Waals Gewest de lijst van decreten waarvoor burgerlijke partijstelling mogelijk is al veranderd.

* De Raad van State verwees nog naar een reeks andere onduidelijkheden en taalkundige problemen, maar die zijn in het samenwerkingsakkoord van 2012 al aangepast. Volgens de aanvankelijke tekst van het akkoord was helemaal niet duidelijk wie een burgerlijke partijstelling kon starten; er stond ook in dat één kamer die niet akkoord ging met de beslissing van een andere kamer de zaak voor de interfederale kamer kon brengen, waardoor het mogelijk geen zin had om nog aparte kamers op te richten; er was in het aanvankelijke akkoord evenmin bepaald voor welke dossiers de kamers exclusief bevoegd zijn; er was ook geen regeling in het aanvankelijke akkoord voor de dossiers van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie en de Franse Gemeenschapscommissie, die niet eens leden in het federale centrum konden aanwijzen. Dat laatste schond volgens de Raad van State zelfs de bevoegdheidsverdeling tussen de federale staat en de deelstaten. De raad wees tenslotte op zo'n 20 taalkundige problemen of verschillen tussen de Franse en de Nederlandse tekst. Hij noemde het samenwerkingsakkoord "hoogst onzorgvuldig opgesteld".

Merkwaardig genoeg is dat allemaal veranderd in het samenwerkingsakkoord van 23 juli 2012 - zes maanden voor het advies van de Raad van State! - zoals dat akkoord vorige week werd voorgelegd aan de Senaatscommissie Justitie. Die veranderingen zijn uiteraard gebeurd nà het advies van de Raad van State. Dat mag omdat nog geen enkel parlement het samenwerkingsakkoord heeft goedgekeurd, tenminste voor zover alle acht organen hiermee akkoord gaan. Minister van Binnenlandse Zaken Joëlle Milquet (cdH) had dit toch beter verduidelijkt en uitgelegd hoe dit allemaal is verlopen. Maar het werd haar ook door niemand gevraagd.

Er werd dus ruim rekening gehouden met het advies van de Raad van State. Ook de (onhaalbare) datum van inwerkingtreding werd aangepast.

 

2. HET FEDERAAL CENTRUM

 

Het huidige CGKR had nog een reeks andere opdrachten: de grondrechten van vreemdelingen verdedigen, de mensenhandel bestrijden en de migratiestromen objectief in kaart brengen. Deze problematiek werd in de Kamer van Volksvertegenwoordigers behandeld. De Kamer richtte daarvoor een apart federaal centrum op. Dat heet: "Federaal Centrum voor de analyse van de migratiestromen, de bescherming van de grondrechten van de vreemdelingen en de strijd tegen de mensenhandel" (!). Dat wordt afgekort tot "federaal centrum" in tegenstelling tot het andere "interfederaal centrum". Het federaal centrum krijgt 10 personeelsleden en kost 1,5 miljoen per jaar. Het nieuwe federaal centrum kan zich burgerlijke partijstellen in mensenhandelszaken, maar niet in racisme- of discriminatiezaken.

Het bestuur "wordt samengesteld uit leden die worden aangewezen door het federaal parlement onder de leden van de federale kamer van het IFC".

De wet, die het nieuwe federaal centrum opricht, maakt het bovendien mogelijk dat het IFC zich burgerlijke partij stelt op basis van de wet van 12 april 1965 over de bescherming van het loon van werknemers. Ze verandert ook in een aantal andere wetten de term "CGKR" in "interfederaal centrum" (o.a. in de wet over het tuchstatuut van de politie en die over de rechtspositie van gedetineerden). Die verandering mag volgens het samenwerkingsakkoord dat het IFC opricht, omdat iedere deelstaat voor zijn bevoegdheid kan beslissen op welke vlakken het IFC zich burgerlijke partij kan stellen. Maar het zegt veel over de kwaliteit van de wetgeving dat dit nu al moest gebeuren, nog voor de Kamer zich boog over het ontwerp dat het inter-federaal centrum opricht. Want dat laatste ontwerp is nog maar alleen door de Senaat gestemd en moet zoals gezegd nog naar de Kamer.

De Kamer hield geen rekening met een paar belangrijke bedenkingen van de Raad van State. Zo meende de Raad dat "het verdedigen van de grondrechten van vreemdelingen" een opdracht is van het IFC. Door deze wet zijn de taken van het federaal centrum en die van het interfederaal centrum niet duidelijk onderscheiden, zegde de Raad van State eufemistisch. Het interfederaal centrum kan zich in vreemdelingenzaken burgerlijke partij stellen, het federaal centrum kan dezelfde zaken behandelen maar kan zich geen burgerlijke partij stellen.

Ondertussen is dit onderdeel van de "splitsing" van het huidige CGKR, de oprichting van een federaal centrum voor migratiestromen, verdediging van vreemdelingenrechten en strijd tegen de mensenhandel, ook al goedgekeurd in de Senaat, maar het samenwerkingsakkoord dat een interfederaal centrum tegen discriminatie opricht nog niet in de Kamer.

 

3. BEDENKINGEN

 

3.1. De (wetgevingstechnische) manier van werken is erg gebrekkig.

Jarenlang gebeurde er niets. Dan kwam er een samenwerkingsakkoord, dat een half jaar na goedkeuring door alle acht overheden door de Raad van State fors werd bekritiseerd. Het is op zich al onbegrijpelijk dat de acht verantwoordelijken voor het gelijke kansenbeleid blijkbaar niet wisten op grond van welke wetten, decreten en ordonnanties burgerlijke partijstelling mogelijk was in de huidige regeling.

Maar goed. Na deze kritiek van de Raad van State werd het akkoord van de acht overheden op heel wat punten (o.a. met betrekking tot de burgerlijke partijstelling) gewijzigd zonder verdere uitleg.

Het ontwerp tot goedkeuring van het interfederaal centrum ging daarna naar de Senaat, het ontwerp tot goedkeuring van het nieuwe federale centrum naar de Kamer. Dat is een eigenaardige werkwijze, die discussie over de werking van het huidige CGKR bemoeilijkt en die tot contradicties kan leiden. Een echte discussie was er dan ook in geen van beide assemblees. In de bevoegde commissies van binnenlandse zaken werd het debat in een uurtje afgehaspeld, in de plenaire zitting was er helemaal geen debat! Men kan dus rustig zeggen dat er op federaal niveau amper parlementaire interesse is voor de strijd tegen discriminatie.

De Kamercommissie Binnenlandse Zaken veranderde een aantal bevoegdheden van het inter-federaal centrum in het ontwerp over het federaal centrum (o.a. met betrekking tot burgerlijke partijstelling, de wet-Dupont over de rechtspositie van gedetineerden, het tuchtstatuut van de politie), maar moet de discussie over dat interfederaal centrum zelf nog beginnen.

Als in de toekomst iemand iets wil wijzigen aan dit IFC, dan moeten acht "regeringen" en acht "parlementen" die verandering goedkeuren. Behalve als het de exclusieve bevoegdheid van één van deze acht betreft. Zo'n verandering zou nodig kunnen zijn na arresten van één of ander Hof of na de evaluatie van de antidiscriminatiewet. Een wijziging van het akkoord binnen de drie jaar zal hierdoor zo goed als onmogelijk zijn. Men kan zich bovendien afvragen of de Franstalige minderheid in het land geen buitensporige vinger in de pap krijgt. Want in Vlaanderen vallen gewest en gemeenschap samen en is dat dus één orgaan. In Franstalig België zijn dat allemaal verschillende organen, die allemaal hun akkoord moeten betuigen.

3.2. Vooral het samenwerkingsakkoord dat het IFC opricht, roept structurele vragen op:

== Het interfederaal centrum is niét bevoegd voor discriminatie op basis van geslacht, terwijl het wel representatief (dus: paritair) moet worden samengesteld op basis van geslacht. En terwijl het bovendien in rechte kan optreden op grond van het decreet van 6 november 2008 van het Waals Gewest over discriminatie tussen mannen en vrouwen inzake economie, tewerkstelling en beroepsopleiding en het Vlaams decreet van 8 mei 2002 over evenredige participatie op de arbeidsmarkt. Begrijpe wie kan.

Voor discriminatie op grond van geslacht is het federale Instituut voor de Gelijkheid van Vrouwen en Mannen nog altijd bevoegd, maar alleen in federale materies. Ondertussen raakte wel bekend dat tijdens het volgende parlementaire jaar ook het Instituut voor Gelijkheid voor Vrouwen en Mannen zal worden geïnterfederaliseerd. Tenminste als de acht ondertekenende organen daarmee akkoord gaan.

Met de huidige nieuwe regeling is ons land dus nog altijd niet in orde met "Europa", omdat er niet voor alle discriminaties van vrouwen en transseksuelen in de arbeidssfeer een centrum is opgericht. (Tussen haakjes: voor discriminatie van holebi's wordt het interfederaal centrum wél bevoegd, voor transseksuelen niét).

== Het is ook niet duidelijk waarom het bestuur van het nieuwe IFC paritair moet zijn samengesteld qua taalgroep. De representativiteit die men bij mannen en vrouwen nastreeft (50-50), vertaalt zich niet in een representatieve vertegenwoordiging naar taalgroep. Daar wordt een 50-50 verhouding vastgelegd, terwijl de representativiteit daar een 60-40 verhouding zou vereisen. Hierdoor is het zo dat in een reeks gevallen (het algemeen beleid, de aanwervingen, de begroting…), waarbij het interfederaal bestuur moet beslissen, de Nederlandstalige meerderheid in de minderheid is. Dat is weliswaar alleen tijdens de debatten zo, maar bij gelijke stemmen is er staking van stemmen, zodat een taalminderheid iedere beslissing kan blokkeren.

Het valt niet in te zien waarom het nieuwe interfederaal centrum representatief moet zijn samengesteld voor een criterium waarvoor het niet bevoegd is en paritair voor een ander criterium waarvoor het evenmin bevoegd is, terwijl er voor de vele criteria waarvoor het wél bevoegd is (discriminatie op grond van handicap, zogenaamd ras, nationale herkomst, syndicale of politieke overtuiging, godsdienst, seksuele voorkeur, leeftijd….), geen enkele eis wordt gesteld, noch een representativiteitseis, noch een pariteitseis.

== Het is bovendien niet duidelijk waarom zowel het interfederaal centrum als het federaal centrum zich tegelijkertijd moeten bezighouden met het verdedigen van de grondrechten van vreemdelingen. Hier is grote overlapping mogelijk.

== Deze interfederalisering kan in bepaalde gevallen een feitelijke herfederalisering worden omdat de typische grendels van de Belgische staat (taalpariteit bv.) worden ingebouwd zodat dat minderheden meerderheden kunnen blokkeren. Bovendien ook omdat de interfederale raad van bestuur het algemene beleid bepaalt, een driejaarlijks strategisch plan opstelt, de aanwervingen organiseert. In de interfederale raad zijn de Franstaligen in de meerderheid bij de debatten (omdat het Duitstalige lid bij de Franstalige Kamer wordt gevoegd), maar net niet bij de stemming, behalve bij een geschil tussen twee kamers waarbij de Duitstaligen betrokken zijn. De interfederale raad kan dus een algemeen beleid uitstippelen en een strategisch plan voor drie jaar uitwerken tegen de wil van één kamer in. Die ene afwijkende kamer zal zich dan aan dit beleid moeten houden.

== Het is mooi dat de Raad van State vindt dat benoemingen door de parlementen "een garantie voor onafhankelijkheid en voor pluralisme zijn", maar het zijn wel per definitie politieke benoemingen. En sommige bestuursleden zullen zowel in het interfederaal centrum als in het federaal centrum zetelen. Bovendien kunnen de mandaten wel héél lang duren: 18 jaar. Is dit niet erg lang? Gekoppeld aan het feit dat acht overheidsorganen zich moeten uitspreken over een eventuele wijziging van de structuur van het IFC, kan men misschien wel spreken van een ongecontroleerde macht, een staat in de staat.

3.3. De hele hervorming roept ook een reeks inhoudelijke vragen op die onbeantwoord zijn gebleven, hoewel er al jaren over gedebatteerd wordt. Daardoor is de hervorming een gemiste kans.

== Er is vooraf geen studie gemaakt van hoe de antidiscriminatiewet en de genderwet worden toegepast. De wettelijk verplichte evaluatie van deze wet uit 2007 moest al meer dan een jaar geleden bij het parlement zijn ingediend, maar ze is er nog altijd niet. Terwijl ondertussen wél al voorontwerpen zijn ingediend om de genderwet te wijzigen door een antiseksismewet in te voeren.

Over de enige grondige studie over de toepassing van de antiracismewet, die van Jogchum Vrielink, wordt in alle talen gezwegen in de toelichting. Het huidige CGKR heeft overigens nooit op deze studie gereageerd. (Voor de analyse van Vrielink, zie hier, nvdr).

Over over deze twee wetten gaat de huidige hervorming in grote mate. Men had hierover een discussie kunnen verwachten. Niet dus.

== Er werd geen analyse gemaakt van de verhouding tussen de diverse gediscrimineerde groepen. Hoeveel tijd besteedt het huidige CGKR aan discriminatie van al die groepen? Momenteel gaat bijna de helft van het werk naar discriminatie van allochtonen. Is dit logisch? Aan discriminatie van bejaarden in rusthuizen of alleenstaanden (samen een veel grotere groep met zeker even erge discriminaties als allochtonen) besteedt het huidige centrum geen aandacht. Is dit geen discriminerende opstelling? Had men dit eens niet moeten bekijken in plaats van nu zowel het interfederaal centrum én het federaal centrum bevoegd te maken voor de grondrechten van vreemdelingen, een thema waar al tientallen privé-organisaties en advocaten mee bezig zijn, terwijl er voor andere, soms veel zwaardere discriminaties, helemaal niemand is?

== Mogelijke tegenstellingen tussen de groepen waarvan het huidige centrum de belangen behartigt (joden en moslims; moslims en homo's) worden niet geproblematiseerd. Terwijl het interfederaal centrum nochtans de taak heeft om "slachtoffers bij te staan". Wie zal het interfederaal centrum bijstaan in een geschil tussen twee personen van een verschillende groep (een moslim en een homo bv.) die zich allebei slachtoffer van discriminatie of aanzetten tot haat voelen in dezelfde zaak? Zo'n situatie is bij burenruzies nochtans perfect denkbaar. Zal men dan - zoals Payoke ooit in een mensenhandelszaak deed - wie zich eerst als "slachtoffer van mensenhandel" meldt ook als hét slachtoffer definiëren. Met het risico dat de strafrechter later moet vaststellen dat het Payoke-"slachtoffer" in feite de mensenhandelaar is en de gedagvaarde mensenhandelaar het slachtoffer? Zulke situaties kunnen zich misschien ook in de discriminatiesector voordoen. En wat als het ene "slachtoffer" zich dan meldt bij het interfederaal centrum en het andere bij het federaal cenrum met een tegengestelde visie van beide organen tot gevolg? Hier is allemaal niet over nagedacht en het huidige CGKR heeft ook al jarenlang geen doorzichtig beleid om dit soort zaken aan te pakken. Daardoor wekt het gevoerde antidiscriminatiebeleid een schijn van willekeur, een schijn van discriminatie. Dat zal zich op termijn wreken.

== Over de zinvolheid of het nut van de burgerlijke partijstellingen in racisme, discriminatie of mensenhandelszaken wordt in alle talen gezwegen. Naar statistieken, resultaten, kostprijs of opbrengst wordt nergens verwezen. Sterker: men voert burgerlijke partijstellingen in voor decreten waarvoor het IFC eigenlijk niet bevoegd is (nl. discriminatie van vrouwen op de arbeidsmarkt).

== Waarom de vrouwen, de transseksuelen en taalminderheden een apart discriminatie-instituut moeten hebben, wordt niet bevraagd.

Over taaldiscriminatie wordt - in alle talen - gezwegen, terwijl nog maar pas is vastgesteld dat in Brussel amper een derde van de benoemingen in orde is met de taalwet. Is dit niet belangrijk dan?

Waarom het Instituut voor Gelijkheid van Vrouwen en Mannen (IGVM) nog apart moet blijven bestaan, wordt al evenmin bevraagd. Het is duidelijk de bedoeling om IFC en IGVM apart te laten bestaan, maar ze eveneens te interfederaliseren.

== Waarom er nog een nieuw Centrum voor Migratiestudies, vreemdelingenrechten en mensenhandel moet worden opgericht is eveneens onduidelijk. De enige reden waarom dat zo is, is omdat het momenteel zo is. Waarom wordt de studie van de migratie niet overgeheveld naar de Dienst Vreemdelingenzaken en de mensenhandel en mensensmokkel niet naar de studiedienst van het college van procureurs-generaal? Dat zou de werking veel efficiënter maken omdat men dan telkens de informatie ter beschikking had die men nu telkens moet vragen en soms helemaal niet krijgt.

Ook op de vraag of het wel mogelijk is om tegelijk een objectieve studie van de migratiestromen te doen én tegelijk de rechten van vreemdelingen te behartigen, komt geen antwoord. De vraag wordt - tegen alle basislessen van de sociale wetenschappen in - niet eens gesteld. Deze combinatie is m.i. namelijk niet mogelijk. En ook op de kritiek van de Raad van State dat de "verdediging van grondrechten van vreemdelingen" een taak is voor het interfederaal centrum en niét voor het nieuwe federaal centrum komt geen antwoord.

Kortom: er is geen inhoudelijk werk gedaan over de wetten waarover deze structurele hervorming gaat. Dit is des te verbazender daar al bijna drie jaar aan deze hervorming wordt gewerkt, merkwaardig genoeg met steun van de N-VA. Het resultaat is een versterking van de federale staat ten nadele van de deelstaten en tegelijkertijd een complete inhoudelijke statusquo zonder enige kritische noot. Beide federale parlementen hebben hier slecht werk afgeleverd. En het valt te vrezen dat de deelstaten het bepaald niet beter zullen doen. De discriminatieproblematiek lijkt voor onze politici niet echt interessant.

 

*****************************************

 

 

Lees ook:

 

Naar een Vlaams antidiscriminatiecentrum?

Het debat over het antidiscriminatiebeleid van Milquet in 2012

Di Rupo I over justitie en discriminatie

Vrielink: "Antiracismewet wordt vaak ongrondwettig toegepast"

Het CGKR en de vrijheid van meningsuiting

Het discriminatierapport van het CGKR voor 2010

Het CGKR en de homohaat

Het discriminatierapport van het CGKR voor 2009

Professor Marc De Vos over de antidiscriminatiewet

Het racismerapport van het CGKR voor 2008

Centrum Racismebestrijding: jaarverslag 2007

CGKR: "Discriminatie op werkvloer is torenhoog"

Professor Storme becritiseert de antidiscriminatiewet

Pleidooi voor een recht op discriminatie

 

*****************************************

 

 

Het recentste nieuws over het justitiebeleid vindt U door in de functie "zoeken" rechtsboven op deze site de letters JDW in te tikken.

 

 

*****************************************