Graffiti
Frans Baert ziet zichzelf als een strandjutter. Wekelijks laat hij zijn blik over het zand glijden, vindt iets - een vreemde steen, graffiti op de muur, een woord van een dichter, wijsgeer of bloedeigen zoon - en pleegt er een poëtisch, beschouwend stukje over.

Omgevallen

02/09/'11 Graffiti Aflevering nr. 1131 - Enkele dagen na de ramp stond in de krant een luchtfoto van de ravage op de Pukkelpopwei. De windhoos had een pad van vernieling getrokken. De rij van gesneuvelde bomen deed me aan omgevallen kegels denken. Een boswachter van Bokrijk vertelde me dat er op zijn domein honderden oude bomen gesneuveld waren - de meeste met wortel en al uit de grond gerukt, sommige halfweg de stam geknakt. Mijn anders zo rustige boswandelingen langs de Bokrijkse vijvers zijn nu in een soort van hindernisloop veranderd - om de zoveel stappen moet ik over een stam die in de weg ligt klauteren of de takken van een omgevallen kruin van me wegduwen om verder te kunnen.

* * *

Het rouw- en verwerkingsproces van de families en vrienden van de slachtoffers van Pukkelpop zal nog veel tijd en geduld vergen. Het is een revalidatie van een andere orde natuurlijk, maar het zal ook nog een hele poos duren vooraleer het bos van de klap is bekomen, vooraleer alle kegels weer rechtstaan.

* * *

Na hun eerste schooldag kwamen de jongens thuis met verhalen van klasgenoten die ze al twee maanden niet meer gezien hebben. De een was op Pukkelpop toen de storm uitbrak, de ander zat bij familie in Marokko. Mijn zonen hebben aan hun vrienden verteld over hun bezoek aan de schoonfamilie in Los Angeles - daar gaan we om de twee jaar samen naartoe. Ik ben altijd nieuwsgierig om te horen wat ze aan anderen vertellen wat het leukst was. Vroeger stond Disneyland bovenaan de lijst, nu ze wat ouder zijn is de tijd die ze samen met hun nichtjes en met hun Amerikaanse oma, tante en oom doorbrachten hun dierbaarste herinnering.

* * *

Vroeger kon ik tijdens ons familiebezoek in L.A. bijna dagelijks met een oude vriend of kennis afspreken, maar nu zijn de meeste van mijn vrienden en voormalige collega’s verhuisd - sommige van hen zijn ondertussen zelfs overleden. Sinds de dood van mijn schoonvader, tien jaar geleden, is er veel veranderd in de familie. Mijn schoonmoeder is hertrouwd met een man die zelf een uitgebreid gezin heeft met kinderen, klein- en achterkleinkinderen. Hij is niet meer van de jongste en als wij om de twee jaar met ons vieren enkele weken bij hem intrekken, zie ik dat hem dat zwaarder en zwaarder begint te vallen. Vooral met mij heeft hij het moeilijk omdat ik niet echt familie ben - ik heb daar begrip voor. Ik voel me er als een hond in een kegelspel. Als ik met de man ‘s ochtends alleen aan de ontbijttafel zit, wordt er weinig of niets gezegd. Niet echt gezellig. Ik probeerde daarom elke dag zo lang mogelijk uit het huis weg te blijven. Gelukkig was er de boekenwinkel om de hoek die tot tien uur ’s avonds open bleef.

* * *

Ik zat in die boekenhandel een kortverhaal van Raymond Carver te lezen, uit de verzameling ‘Will you please be quiet, please?’ Carver’s boektitel haalde me de woorden uit de mond omdat een oude man vlak langs me in zijn mobieltje stond te roepen. Dat begon ook een roodharige mevrouw met te veel make-up op de zenuwen te werken. Ze sprak hem aan: “Very loud, dear!” Hij gaf als excuus: “I don’t hear so well!” en bleef gewoon verder roepen.

Een andere keer kwam een sjofele zwarte man de boekhandel binnengelopen. Hij droeg een groezelige T-shirt binnenste buiten en zijn broek was op verschillende plaatsen gescheurd. Hij stapte zoals een robot door de winkel, met stijve been- en armbewegingen. Hij wees daarbij naar bepaalde boeken terwijl hij onverstaanbare woorden murmelde. Even later ging hij in de afdeling religieuze boeken voor een kast met bijbels op zijn knieën zitten. Met de wijsvingers van beide handen tekende hij geometrische figuren in de lucht, terwijl hij het hoofd eerbiedig gebogen hield. Vlak voor sluitingstijd zag ik hem als een raket naar buiten stormen. Toen ik een kwartiertje later zelf de winkel verliet, stond hij buiten in een vuilnisbak te zoeken. Nadat hij een sigarettenpeuk gevonden had, liep hij weg. Vreemd genoeg stapte hij nu zoals een normaal mens over straat, zonder die krankzinnige robotbewegingen.

In een stad als Los Angeles zie je heel wat van die verloren gelopen sukkelaars op straat lopen. Er is geen geld om hen in een instelling op te nemen. Zij overleven door wat ze van het bedelen kunnen krijgen. Ze doen me denken aan omgevallen kegels in een kegelspel - het lot heeft hen eruit gepikt om een dreun van de kegelbal te krijgen, een tegenslag waarvan ze niet kunnen herstellen.

* * *

Hij staarde naar de vloer. Die leek in zijn richting over te hellen; leek te bewegen. Hij sloot zijn ogen en bracht zijn handen naar zijn oren om zich recht te houden.

Raymond Carver, ‘Sixty Acres’, 1964

* * *

Mijn auto stond achter de boekhandel. Ik was achter het stuur gekropen en schrok me dood toen ik plots een angstig kijkende zwarte man links aan mijn raampje zag staan. Ik verstond niet wat hij van me wilde. Het was riskant om in deze buurt m’n raampje te openen, maar ik deed het toch. De man toonde me een kasticketje van de apotheek langs de boekwinkel: “Ik kom 37,28 dollar te kort voor mijn aids-medicatie,” legde hij uit. Hij stroopte zijn mouw op en toonde me zijn rechterarm die niet veel dikker was dan een borstelsteel. “Aids,” zei hij. Ik geloofde hem en vond in mijn broekzak een briefje van vijftig. De tranen begonnen uit zijn ogen te lopen. We keken naar elkaar. Mijn eigen ogen vulden zich ook met tranen.

Ik reed weg, keek nog eens in mijn spiegeltje en zag dat hij me aan het achterna lopen was. Ik remde voorzichtig. Hij kwam opnieuw bij m’n raam staan en bedankte me opnieuw, en opnieuw. Ik reed naar huis en vertelde aan m’n vrouw en m’n schoonzus wat ik net had meegemaakt en brak in tranen uit.

Good luck en tot ziens.

Dr. Frans BAERT

Alles over

Reageer als eerste op dit bericht