Mijn leraar
10/12/'10
Graffiti
Aflevering nr. 1096 - Ik had het toevallig over hem, de dag vóór ik hoorde dat hij overleden was. Ik had aan een vriend verteld hoe iedereen
in zijn leven hopelijk een leerkracht heeft gehad die hem
kon inspireren, die het verschil maakte. Voor mij was dat
Michel Nolens, mijn leraar Nederlands.
* * *
Tientallen herinneringen komen me voor de geest als ik
aan de lessen van Nolens in mijn tweede jaar middelbaar
terugdenk. Zoals die keer toen hij het geluid van de brekende
schaal van een hard gekookt eitje op een tinnen toog in de
klas probeerde na te bootsen. We waren een gedicht van
Prévert - in Nederlandse vertaling - aan het leren. Nolens
slaagde erin om met zijn geluidseffecten dat gedicht voor ons
- dertienjarigen - toegankelijker te maken.
* * *
Il est terrible
le petit bruit de l’oeuf dur cassé sur un comptoir d’étain.
Jacques Prévert, ‘La Grasse Matinée’
* * *
Ik herinner me hoe mijn vader onder de indruk was toen hij
het bundeltje onder ogen kreeg met de gestencilde velletjes die
we van Michel Nolens gekregen hadden. Op elke bladzijde een
prachtig gedicht. Wat een schat, merkte hij bewonderend op.
Ik ben dat bundeltje spijtig genoeg ergens bij een verhuizing
verloren, maar ik ken wel nog wat versregels van buiten.
* * *
O! ’t ruisen van het ranke riet!
o wist ik toch uw droevig lied
Guido Gezelle
* * *
Voor dat gedicht van Gezelle hebben we met Nolens wéken
gedrild om te leren de letter ‘r’ in onze monden te laten rollen
- een moeilijke oefening voor Limburgse jongens.
Voor een gedicht van Federico Garcia Lorca vertelde hij
ons over de Spaanse Burgeroorlog, het fascisme, Guernica. Op die manier werd zo’n gedicht drager van ontzaglijk veel
culturele bagage.
Wij lazen bij Nolens ook vertaalde Engelse en Duitse poëzie
en leerden veel over klassieke muziek - hij kwam uit een
muzikale familie. Van hem hoorde ik voor het eerst de namen
van componisten als Brahms en Schumann.
En ook ecologische problemen kwamen in zijn klas ter sprake
- eind jaren zestig al. Ik hoor hem nog altijd van de uitspraak
van het woord ‘benzopyreen’ genieten, niettegenstaande het
om een voor het milieu zeer schadelijke stof ging.
Soms las hij ook iets dat ik zelf geschreven had. Hij moedigde
me dan altijd aan om voort te blijven doen.
* * *
and let thy feet, millenniums hence, be set
In midst of knowledge, dream’d not yet.
Lord Tennyson, ‘Two Voices’
* * *
We mochten bij het begin van het schooljaar voor een ‘hobbyclub’
kiezen - mijn keuze ging naar tekenen, keramiek of
fotografie, in die volgorde. Maar ik kwam in de toneelclub
terecht... M’n laatste keuze!
Nolens runde die toneelclub. Hij kende me als enthousiaste
leerling van zijn les Nederlands, maar wist niet dat ik voor
toneel geen talent had. Ik moest van hem een circusleeuw
nadoen - hij vroeg om me in te beelden dat er vóór me kindjes
zaten die heel erg van mijn gebrul moesten schrikken. Ik zie
nog altijd de teleurstelling op zijn gezicht toen hij me bezig
zag - hoe meer hij uitlegde hoe het moest, hoe minder ik erin
slaagde.
Enkele maanden later werd onze toneelclub uitgenodigd om
iets van Louis Verbeeck - uit een boekje over kabouters - op
de Boekenbeurs te brengen. Omdat ik voor de rest van het
jaar in de toneelclub moest blijven en duidelijk geen talent
had, kreeg ik de bescheiden rol van een kabouter die een
beetje moest huilen.
We trokken met Nolens naar Antwerpen. Hij stouwde ons
allemaal - we waren met een stuk of zes, zeven - in zijn oude,
ronde Mercedes. De zaal zat proppensvol toen we aankwamen.
In onze kabouterpakjes stapten we op de planken om
ons ding te doen. De kabouter die de eerste regel moest
brengen - ik herinner ‘m nog alsof het gisteren was: ‘Een
roomsoes is een pronkgebak’ - kreeg door de zenuwen die
zin niet goed uit z’n mond. De andere kabouters hadden het
daarna ook moeilijk. Nolens zat in het publiek. Halfweg
het toneelstukje sprong hij recht, met de armen in de lucht:
“Stóp! Niet goed! Opnieuw beginnen!” Hilariteit in de zaal
en wij rode koppen.
Na de voorstelling liep hij nog snel een chocoladezaak binnen
en gaf ons een doosje met Antwerpse specialiteiten: ‘handjes’
en dadels gevuld met marsepein, dingen waarvan hij terecht
dacht dat wij ze misschien nog niet kenden. Zelfs als Michel
Nolens snoep gaf, leerden we nog iets bij.
Met dat kaboutertoneelstukje zijn we toen zelfs nog tot bij
Nonkel Bob geraakt. Dat ging ons beter af, maar voor mij
persoonlijk was het wel een teleurstelling omdat mijn ouders
in het buitenland waren en me niet konden zien. Dat werd
goedgemaakt toen ik een weerkaart van Armand Pien mee
naar huis kreeg - grote verbazing dat die kaart niet zwart-wit
was zoals op de buis thuis, maar wel oranje-blauw.
* * *
In die tijd bedachten we onze leerkrachten nog met bijnamen
- ‘de Blaas’, ‘de Punaise’, ‘de Bedong’. Dictie was Nolens’
grote passie en dat leverde hem de bijnaam ‘Den Hollander’
op. Hij was daar niet gelukkig mee, dacht ik toen. Als een
leerling bijvoorbeeld ‘ik tenk’ zei in plaats van ‘ik denk’ was
Nolens’ standaardrepliek: “Ik tenk Esso.”
* * *
M’n favoriete herinnering blijft die keer toen hij ons vroeg
muisstil te zijn. Met de wijsvinger op de lippen liep hij op
de tenen naar buiten om te zien of de kust vrij was. Terug
binnen schreef hij de naam ‘Nietzsche’ op het bord. Hij gaf
geen uitleg. Na enkele seconden - genoeg tijd om ons te laten
beseffen dat die Nietzsche een gevaarlijk iemand kon zijn
- veegde hij de naam snel weg. Hij vroeg ons daarna om aan
niemand hier iets over te zeggen.
* * *
Hopelijk heeft iedereen in zijn leven een leraar gehad die kon
inspireren, die het verschil maakte. Dat geluk heb ik gehad.
Good luck en tot ziens
Dr. Frans BAERT