Levertraan
17/08/'12
Graffiti
Aflevering nr. 1177 -
In de hotels stond altijd voor het ontbijt een fles met
levertraan op tafel. Enkel de IJslandse hotelgasten
schonken zichzelf een glaasje in en dronken het zonder
verpinken leeg. Geen buitenlander gezien die verder geraakte
dan eventjes aan de geopende fles te ruiken en dan een vies
gezicht te trekken.
* * *
Mooie taal, het IJslands, met klanken die wij niet kennen,
en oude lettertekens die wij niet kunnen lezen.
IJslanders praten goed Engels, met een opvallend accent - zo
spreken ze het woord ‘fish’ als ‘fis’ uit.
* * *
Ongewoon veel was wit van kleur. De gletsjers. De watervallen.
En roze vissen spoedden zich tegen de watervallen omhoog.
Steinunn Sigurðardóttir (°1950)
* * *
Ik kon het woord niet verstaan toen het mooie dienstertje
ons de naam van de ‘fis’ op het avondmenu vertelde. Op mijn
vraag of het misschien zalm was, antwoordde ze aarzelend
bevestigend. De vis die ik op m’n bord kreeg leek niet echt
op zalm, hij was een stuk kleiner en eigenlijk veel lekkerder
dan zalm.
De volgende avond vertelde een ander dienstertje dat de
Engelse naam van de vis ‘arctic char’ was. Van Google
leerde ik dat de ‘salvelinus alpinus’ bij ons bekend staat
als een ‘trekzalm’, ‘beekridder’ of ‘riddervis’, en een zeer
noordelijke verspreiding heeft - hij komt vooral in Lapland,
IJsland en Groenland voor.
* * *
In m’n reisgids stond dat op een kerkhofje in Fáskrúðsfjörður
- een stadje aan de oostkust - Belgische vissers
begraven lagen, IJslandvaarders die meer dan een eeuw
geleden omkwamen.
Het was een lange en moeilijke rit om tot daar te geraken.
Door een ‘navigatiefout’ - de namen van die IJslandse steden
lijken allemaal zo op elkaar - reed ik zelfs tot driemaal
toe door dezelfde 9,5 km lange bergtunnel. Hopelijk werd
onze gezondheid niet aangetast door de benzinedampen
die binnen hingen. Misschien toch maar eens die levertraan
proberen.
In het stadje werd feestgevierd - de versierde straten waren
voor het verkeer gesloten waardoor ik rondjes bleef rijden.
Tot tweemaal toe had een inwoner me de juiste richting
gewezen - “Achter de ‘fis factory’, je kan het echt niet missen!”
- zodat ik het schaamrood al op de wangen kreeg enkel
bij de gedachte dat ik die man een zoveelste keer tijdens mijn
zoektocht ging passeren.
Overal in het stadje hing een zeer penetrante geur van de lokale
visfabriek. Eigenlijk moest ik alleen maar het venstertje
openen en m’n neus volgen naar de fabriek die de bron was
van zoveel geurhinder.
Merkwaardig dat het kerkhofje van de IJslandvaarders zich
langs een visfabriek bevond - oorzaak en gevolg een beetje
dicht bij elkaar, als je economisch doordenkt.
Maar met de rug naar de fabriek gekeerd, lag de begraafplaats
toch op een prachtige plek, met zicht op een fjord
en de machtige bergen die in het stille water weerspiegeld
werden. Thuis las ik dat hetzelfde fjordwater in de wintermaanden
uitzonderlijk gevaarlijk is voor vissersschepen, en
zelfs recent nog mensenlevens eiste.
* * *
Op ongeveer de helft van de witgeverfde kruisjes op het
kerkhof stonden de namen van overleden vissers - de andere
graven waren anoniem, met op het kruisje ‘repose en paix’.
De bronzen gedenkplaat op het voetstuk van een groot
kruisbeeld vermeldde een aantal Franse vissers en één enkele
keer ‘Belgique’ achter de naam van ene ‘Charles Dalidicht’ -
achteraf gegoogeld, maar altijd terechtgekomen bij zangeres
Dalida of iets over het poëtisch talent van de schilder Dalí.
Het kruisbeeld was zwartgeverfd met een grote Christusfiguur
erop - ongewoon in een protestants land waar het
kruis zonder lichaam symbool staat voor de verrijzenis
van Christus, niet voor zijn lijden. De plaat met de namen
gebruikte de typische letters die honderd jaar geleden in
Frankrijk in voege waren - sommige letters wat scheef, enkele
te groot in vergelijking met de andere. Franse typografische
nonchalance.
Volgens de gegevens in mijn reisgids en een bord met uitleg
van de IJslandse toeristische dienst langs de straat naar het
kerkhof, lagen er hier een aantal Belgen begraven, maar
die landgenoten had men op de gedenkplaat vergeten. Ook
werd er met de spelling van de namen slordig omgegaan - die
was op de kruisjes vaak anders dan op de plaat... Toch een
ontgoocheling om zo weinig duidelijkheid te vinden over
de identiteit van de slachtoffers van de IJslandvaart - een
gebrek aan respect van het thuisland voor landgenoten die
in uiterst moeilijke omstandigheden werkten en dat hier met
hun leven moesten bekopen.
De zeereis vanuit Oostende naar de rijke viswaters duurde
destijds ongeveer vier dagen. Vooral tijdens de wintermaan
den was de tocht levensgevaarlijk - op het schip kon zich
ijs vormen waardoor de boot te zwaar werd en zonk. De
vis die in IJsland gevangen werd was van uitzonderlijke
kwaliteit - vooral kabeljauw, vaak anderhalve meter lang.
Na een week of vier zat het scheepsruim vol en kon aan de
terugreis begonnen worden. Na aankomst in de thuishaven
en drie dagen rust, ging iedereen terug aan boord voor de
volgende reis...
* * *
Hoeveel kost een lompvis? Wat is de waarde van een pond
schelvis? Of een schol? Je zou evengoed de vraag kunnen stellen
hoeveel de zon kost, of de maan en de sterren.
Halldór Laxness (1902-1998), The Fish Can Sing
* * *
Ik koos het graf van Célestin Rooms als ‘Vlaams’ graf - niet
dat de nationaliteit er echt om deed, maar het hielp me om
een band met een slachtoffer ‘van bij ons’ te voelen. Zou
iemand van zijn familie ooit tot deze afgelegen plek geraakt
zijn, vroeg ik me af. Ik stelde me voor dat ze dan een weesgegroetje
voor Célestin zouden gebeden hebben - daarom
deed ik dat ook voor hem. Ik legde ook een steentje op zijn
kruis - iets uit een andere godsdienstige traditie. Teken dat
men hem niet vergeten is.
Op weg naar de auto, vond ik de geur van de fabriek waar
levertraan uit vis geperst werd, niet meer te harden. De
fabrieksschouw bleef ongestoord rook over het kerkhof
en het stadje spuwen.
Good luck en tot ziens.
Dr. Frans BAERT