Kostbaar
24/07/'09
Graffiti
Aflevering nr. 1028 - Kostbaar, de glunderende gezichten van mijn zonen toen
we eindelijk het huis van ‘grandma’ bereikt hadden. Al heel
lang hebben ze ernaar uitgekeken om hun Amerikaanse oma
weer te zien.
* * *
Het vliegtuig waarmee we van Zürich naar LA gevlogen
waren, was van een neus- en een buikcamera voorzien. De hele
vlucht lang konden we beelden bekijken van de landschappen
die onder ons voorbijgleden. Nooit eerder meegemaakt.
Toen we na een paar uren vliegen Groenland achter ons
lieten liggen, zag ik plots honderden witte stippen op zee
drijven. Pakijs.
Een uurtje later vlogen we opnieuw boven land. Boven
Canada. Hier was al het ijs gesmolten, behalve in de grote
kraters, waarin tegen de zuidelijk gelegen rand - die niet
door de warme stralen van de zon kon bereikt worden - een
sikkelvormige ijslaag was blijven liggen. Die ijsresten waren
soms geel van kleur, soms oranje. Een buitenaards ogend
landschap. Onvergetelijk. Kostbaar.
Terwijl we verder over onherbergzame gebieden vlogen,
bedacht ik hoe ik de jongste maanden van de ene verre plek
naar de andere gereisd ben. Nooit eerder gedaan. Het deed
me denken aan het kiekje dat ik enkele weken geleden in
Zuid-Frankrijk schoot, van de jonge verkoper die zijn posters
op straat had geëtaleerd en als een hert naar de open plekken
tussen zijn waren sprong om een poster voor een juffrouw
op te pikken. Zo voelde ik me ook, als een rondspringend
hert: naar Japan, de Provence, en nu naar Californië. Een
kostbaar voorrecht om in een tijd te leven waarin zoiets
mogelijk is. Op amper elf uur in Tokio. Hoeveel maanden
had Abel Tasman vier eeuwen geleden nodig om van Texel
naar Japan te varen?
* * *
Mijn schoonmoeder had voor een feestmaal gezorgd. Er
werd gesmuld en gelachen. Ondanks twee vluchten en een
behoorlijk tijdsverschil, leek alle vermoeidheid even van ons
afgevallen.
* * *
Toen we over het uitgestrekte Los Angeles vlogen, ontwaarde
ik dankzij de neuscamera de luchthaven in de verte. De landingsbaan
van L.A.X. leek te smal voor een grote Airbus. Ik
vond het best eng en was daarom nog meer opgelucht dan
anders toen ons vliegtuig een veilige landing had gemaakt.
Aan de douane stond de piloot van onze vlucht toevallig
achter ons. Ik vertelde hem dat ik even bang was geweest
omdat de landingsbaan te klein leek voor ons vliegtuig. Hij
vertrouwde me toe dat hij zelf telkens weer diezelfde ervaring
heeft: “Na duizenden kilometers vliegen moet ik mijn kist
op een baan van amper veertig meter neerzetten. Het blijft
een beetje eng, ook voor mij.”
* * *
Nadat we de kinderen in bed hadden gestopt, wilden m’n
vrouw en ik ook gaan slapen. Ik ging als eerste naar ons zolderkamertje
boven de garage - ik heb ooit een hele column aan
die speciale plek besteed. De zolder is tegelijk logeerkamer,
badkamer en kantoor.
Toen ik de douchedeur van de badkamer opende, schrok ik.
Vlak voor m’n voeten zat een afschuwelijk grote spin dreigend
naar me te staren. Thuis aarzel ik niet om ongewenste
insecten in een glas te vangen en dan buiten vrij te laten. Maar hier vond ik geen glas en ik herinnerde me bovendien van
vroeger dat de plaatselijke spinachtigen gevaarlijk kunnen
bijten. Ik probeerde tevergeefs met een leeg zeepdoosje de
spin te vangen. De vermoeidheid van een tocht van 24 uur
zonder veel slaap, begon plots te wegen. Ik besloot er korte
metten mee te maken en zocht naar iets om de spin mee om
te brengen.
Mijn oog viel op een plastic naambordje op het bureau van de
man van mijn schoonmoeder. Ideaal moordwapen, zo bleek.
De spin was met één klap dood, maar het naambordje was
tegelijk ook in twee stukken gebroken - bijna drie (het derde
stuk bengelde er nog wat aan). Waarom had ik niet gewoon
mijn eigen schoen of zo gebruikt?
Mijn vrouw kwam even later binnen. Ik vertelde haar over
mijn ongelukje. Zij vond dat ik mijn zonde moest opbiechten
en een nieuw bordje moest laten maken. Dat ik van plan was
om de volgende ochtend een tube superlijm te kopen om
het ding weer te plakken, vond ze van weinig persoonlijke
moed getuigen.
De volgende dag legde ik een tijdschrift als onderlegger op
het bureau en plakte met ‘crazy glue’ de stukken weer aan
elkaar. Ik hield mijn wijsvinger iets te lang op het gelijmde deel
van het naambordje en had daarna de allergrootste moeite
om mijn vinger los te trekken. Enkele lijmdruppels waren
ook door het tijdschrift gesijpeld en het papier plakte aan
het bureau vast... Tot overmaat van ramp leek het resultaat
van mijn werk nergens op. De barsten waren zichtbaar en er
ontbrak een stukje dat ik nergens kon terugvinden...
Ik besloot om alles eerst aan mijn schoonmoeder op te
biechten. Zij kende haar man beter en kon me vertellen wat er voor me zwaaide als hij ontdekte wat ik gedaan had. Hij
is al vijftien jaar met pensioen en dat plastic naambordje met
de naam van zijn firma is zowat het enige souvenir uit die
tijd dat ik in zijn kantoor heb zien liggen. Ongetwijfeld een
kostbaar voorwerp voor hem.
Ik begon mijn verhaal aan mijn schoonmoeder met een beschrijving
van de confrontatie met de spin en toonde haar dan
de schade die ik had aangericht. Ze begon hartelijk te lachen
en wees naar andere kapotte dingen op het bureau die ik nog
niet gezien had: een stukgevallen lijst rond een familiefoto,
een gelijmd vaasje waarvan de barsten nog zichtbaar waren...
Kwam dat door de aardbevingen die dit gebied regelmatig
teisteren, of hadden vorige bezoekers ook op het bureau naar
wapens gezocht om gevaarlijke dieren mee te doden?
Het was helemaal niet erg, zei ze. Haar man zou ermee kunnen
lachen, verzekerde ze me.
Een geweldige schoonmoeder, die van mij. Kostbaar.
* * *
Nadat ik mijn zoon het kiekje van de springende posterverkoper
had getoond, merkte hij op dat op de muur in de
foto een bord hangt van iemand die ook zo’n hertensprong
maakt. Een dubbelsprong dus. Een zoon die zoiets voor zijn
vader kan zien, die is heel kostbaar.
Good luck en tot ziens.
Dr. Frans Baert