Graffiti
Frans Baert ziet zichzelf als een strandjutter. Wekelijks laat hij zijn blik over het zand glijden, vindt iets - een vreemde steen, graffiti op de muur, een woord van een dichter, wijsgeer of bloedeigen zoon - en pleegt er een poëtisch, beschouwend stukje over.

Inerte gassen

28/08/'09 Graffiti Aflevering nr. 1033 - In de wei maakt een flink uit de kluiten gewassen stier gekke sprongen. Op amper een metertje of twee voor zijn briesende kop staat een reiger met de vleugels wijd open te flapperen.

De stier springt boos naar zijn plaaggeest, maar de reiger kan door enkele vleugelslagen net op tijd ontsnappen. Een eindje verder herhaalt zich de gekke dans tussen reiger en stier. De andere koeien en stieren in de wei grazen rustig voort – helemaal geen belangstelling voor die twee.

* * *

Ik hoor twee West-Vlamingen gemoedelijk met elkaar praten. Zegt de ene tegen de andere: “Tussen ik en joen.” Ik noteer het vlug in mijn notitieboekje, anders gelooft me hier straks niemand.

* * *

In het fastfoodrestaurant zitten een oudere man en vrouw met hun twee kleinkinderen aan een tafeltje. De hamburgers en cola’s zijn op. De kinderen spelen ieder met hun eigen gameboy. De oma leest uit een roddelkrant voor: “Kijk, een hond die 36 jaar oud is, da’s toch wel heel oud voor een hond hé?”
Haar man kijkt automatisch de andere kant uit als zij hem aanspreekt. Hij doet of hij haar niet gehoord heeft. Zijn blik gaat in mijn richting, met ogen die lijken te zeggen: ‘Kijk eens waar ik hier mee opgescheept zit.’
De oma laat zich niet ontmoedigen, ze heeft al opnieuw een wetenswaardigheid in haar krant gevonden: “Zij wilde hem niet meer, zegt ze hier.” Opnieuw gaat de blik van de man mijn richting uit, en weer die ogen.
Die mensen hebben geen ruzie met elkaar, maar het gebrek aan belangstelling van de man voor zijn vrouw en die blik, dat is eigenlijk veel erger dan ruzie. Zo oud moeten worden om in een kale hamburgertent te zitten en je vrouw en kleinkinderen proberen te verdragen... Helemaal geen ‘ik en joen’ meer... Ik kan er niet aan uit.

* * *

‘An inert gas is any gas that is not reactive with elements.’ (Wikipedia)


* * *

Van de joodse filosoof Martin Buber heb ik wel wat gelezen, maar nooit het boek waarvoor hij beroemd geworden is - ‘Ich und Du’. Ik schaam me er een beetje voor want ik word er regelmatig over aangesproken. Mensen zeggen me dan: “Hoe is het mogelijk dat jij dat nog niet gelezen hebt!” Hoe meer dat gebeurt, hoe meer aversie ik voor het boek ontwikkel. Ik heb dat ook met bestsellers en kaskrakers. Als ik iets ‘moet’ gelezen of gezien hebben, dan vergaat mij de lust. Dan voel ik geen ‘ik en joen’ meer met dat boek of met die film.

* * *

In het ‘Museum of Contemporary Art’ van Los Angeles vraag ik aan een museumwachter wat hij zelf vindt van het kunstwerk dat voor ons op de grond ligt/staat. Een tiental stapels kranten, met op elk pak een neonlichtje in de vorm van een cijfer. Het eerste wat mijn aandacht trekt is de onlogische volgorde van die cijfers. Ik kan er niet aan uit. Interessant vind ik dat de kranten exemplaren zijn van de ‘Los Angeles Times’ - vandaag failliet - uit de jaren tachtig. Amper twintig jaar oud, maar ze zien er nu al uit als middeleeuws perkament. De museumwachter is niet gelukkig met mijn vraag. “No comment,” antwoordt hij, terwijl hij angstig rondkijkt alsof hij bang is zijn baan te verliezen als hij me durft te vertellen wat hij zelf van het kunstwerk denkt. Ik zeg hem dat ik er persoonlijk niet veel van snap, maar omdat hij het elke dag kan zien, ontdekte hij er misschien wat meer in. Opnieuw angstig: “No comment.” Hij draait me de rug toe.

* * *

Op het internet las ik enkele regels uit ‘Ich und Du’ van Buber: ‘Den Menschen, zu dem ich Du sage, erfahre ich nicht. Aber ich stehe in der Beziehung zu ihm, im heiligen Grundwort Ich-Du. Erst wenn ich daraus trete, erfahre ich ihn wieder. Erfahrung ist Du-Ferne.’
Ik kan er niet aan uit, maar het klinkt wel interessant. Ik ga het toch eens lezen, dat boek. Tussen mezelf en ‘Ich und Du’, dat wordt misschien nog ooit een ‘ik en joen’ verhouding.

* * *

In het museum loopt ook de tentoonstelling ‘The Americans’, van Robert Frank, de Zwitserse fotograaf die in 1955 negen maanden lang met zijn Leica door Amerika reisde. Hij schetste een rauw portret van het harde leven in de nieuwe wereld. Een Franse uitgever publiceerde de foto’s in het boek ‘The Americans’. In Amerika bestond aanvankelijk weinig belangstelling voor de ontnuchterende reportage van Frank. Maar de foto’s zijn ondertussen heel herkenbaar en beroemd geworden. Ik voel er persoonlijk ook veel ‘ik en joen’ mee. Ik kreeg de toelating om in het museum kiekjes te schieten. In de zaal die naar de foto’s van Frank leidt, neem ik enkele foto’s van gewone Amerikanen die naar kunst staan te kijken, zoals Robert Frank dat misschien ook zou gedaan hebben. Een jonge museumwachter rept zich naar me toe: “U mag hier geen foto’s van mensen trekken! Hebt u misschien ook een foto van mij genomen? Dat is verboden! Ik draag een uniform!” Hij wijst naar het logo van het museum op zijn jas. Best grappig eigenlijk.
Ik probeer de toon van onze ‘ik en jij’ relatie wat te verlichten door hem te vragen waar hij vandaan komt, omdat ik een Brits accent dacht te horen. “Van Ghana,” zegt hij, maar dan merk ik dat hij spijt heeft op mijn ouverture te zijn ingegaan en loopt hij weg.

* * *

In het fastfoodrestaurant leest de oma opnieuw iets voor, iets over de persoonlijke problemen van een of andere soapfigurant. Weer kijkt de opa weg. Ik bedenk plots dat die reactie mij doet denken aan iets uit de scheikunde en in mijn notitieboekje noteer ik: ‘inerte gassen’.
De man ziet mij wat opschrijven. Op ‘inerte gassen’ reageert hij vreemd genoeg wel... In zijn ogen lees ik voor het eerst wat belangstelling voor iemand. Tussen mij en hem ontstaat er een heel klein beetje ‘ik en joen’. Misschien straks ook met die anderen?

Good luck en tot ziens.

Dr. Frans BAERT

Alles over

Reageer als eerste op dit bericht