Graffiti
Frans Baert ziet zichzelf als een strandjutter. Wekelijks laat hij zijn blik over het zand glijden, vindt iets - een vreemde steen, graffiti op de muur, een woord van een dichter, wijsgeer of bloedeigen zoon - en pleegt er een poëtisch, beschouwend stukje over.

In het Land der Reuzen

04/06/'10 Graffiti Aflevering nr. 1071 - Onderweg naar huis luisterde ik op de autoradio naar de ‘BBC World Service’. Een ongeduldige chauffeur die me al een poos te kort op de hielen zat, passeerde me bruusk langs rechts. De man had geen rekening gehouden met de trage vrachtwagen die plots vóór hem opdoemde en schoot onverwachts weer voor me in. Ik was zo dom om door te toeteren te reageren op de wildeman, die me vervolgens met een voorspelbaar vingersignaal van antwoord diende.

Mijn toeteren had de frequentiewijzer van mijn radio op hol doen slaan, en in plaats van de BBC-reportage over de olieramp in Amerika, hoorde ik plots: “Dit is Radio Maria in Vlaanderen.” Ik schrok me een (rozen)hoedje! Uit nieuwsgierigheid bleef ik even luisteren. Een mannelijke radiostem verkondigde plechtig dat de rozenkrans zou gebeden worden. Ik luisterde naar de weesgegroetjes - het een na het ander. Dergelijke devotie deed me wel iets, maar spannende radio is het niet. Ik draaide de knop terug naar het nieuws over de lekkende oliebron in Amerika, waarvoor niets nog lijkt te helpen. Misschien tijd om voor een oplossing te bidden.

* * *

De olieramp in de Golf van Mexico, de moord op de rechter in Brussel, de moordende Engelse taxichauffeur, de moord door Israëlische troepen van vredesactivisten in internationale wateren, de moord op een politiek tegenstander van president Kabila... Is deze week bloederiger dan andere weken, of maken we dezelfde bedenking elke week opnieuw?

* * *

Het gevoel dat ik aan zo’n reeks afschuwelijke gebeurtenissen overhoud, is er een van totale hulpeloosheid. Wij voelen ons nietig door de daden van mensen die - als machthebbers en ook als criminelen of terroristen - ons leven bepalen. Alsof we in een wereld leven van reuzen die over ons beslissen zonder dat wij daar veel over te zeggen hebben.
De woorden van Shakespeare in ‘King Lear’ komen me voor de geest: ‘As flies to wanton boys, are we to the gods; they kill us for their sport’ (Wat vliegen voor baldaad’ge knapen zijn, dat zijn wij voor de goden: zij doden ons voor hun vermaak - vert. W.Courteaux).

* * *

Aan het eind van de zomervakantie van vorig jaar, kocht ik met de zonen kaftpapier en schriften. Na twee lange maanden vakantie en ‘niets leren’, waren ze opvallend enthousiast over het nieuwe schooljaar. Ik herinnerde me dat gevoel ook uit mijn jeugd. Maar was ik daar nu te oud voor?
Impulsief besloot ik de volgende dag om me voor een cursus in te schrijven. In de lente had ik Japan bezocht - de taalbarrière was er erg hoog. Niet alleen versta je geen mens en begrijpt bijna geen mens jou, maar de Japanners gebruiken ook schrifttekens waar niets van te maken valt.
Toen ik naar m’n eerste Japanse les trok, verwachtte ik dat de cursus me de rudimentaire beginselen van de taal zou bijbrengen en enkele nuttige zinnen voor op reis. Maar vanaf het eerste lesuur begreep ik dat het niveau een stuk hoger lag. Toen ik drie uur later naar huis reed was mijn hemd kletsnat van het zweet en stond mijn hoofd op ontploffen. Bleek ook nog dat we tegen het eind van het eerste jaar twee van de drie Japanse schrijfsystemen onder de knie zouden moeten krijgen.

* * *

Ik heb deze week mijn schriftelijke examen afgelegd en volgende week volgt het mondeling. Terwijl mijn kinderen voor Latijn, Frans en Engels blokken, ben ik met gelijkaardige oefeningen bezig, maar dan in een taal die geen band met onze taalfamilies heeft.
Toen ik maandag doodnerveus mijn woordenlijstjes nog eens nakeek voor ik naar het examen vertrok, maakte m’n jongste boterhammetjes voor me en gaf m’n oudste me de raad die ik hem ooit zelf gegeven had: “Papa, begin altijd met de gemakkelijkste vragen eerst.” Dat stelde me niet gerust: “Ik ken het goed, maar wat als ik een ‘blackout’ krijg,” vroeg ik ongerust. M’n jongste pakte m’n armen vast, keek me in de ogen: “Dat gebeurt níet! Zeg het me na: dat gebeurt níet!”

* * *

Bepaalde dingen zijn opvallend eenvoudig in het Japans - er bestaan geen vervoegingen, er is geen onderscheid tussen mannelijk en vrouwelijk, en toekomstige en tegenwoordige tijd zijn hetzelfde. Andere dingen zijn dan weer aartsmoeilijk - zinnen staan volledig op hun kop en er bestaan tientallen verschillende manieren om voorwerpen te tellen - zo gebruik je voor aantallen van cilindervormige, van platte of van lange dingen telkens andere woorden. Het Japans bevat ook nuances die ons ontgaan - zo hebben ze een tegenwoordige en een verleden tijd voor adjectieven. Een ‘rode roos’ met het bijvoeglijk naamwoord in de verleden tijd, is niet precies hetzelfde als zeggen dat een roos rood was.

Mijn ambities voor de studie van het Japans zijn zeer beperkt - ik weet dat als ik zelfs tien of vijftien jaar Japans volg, ik het nog altijd moeilijk zal hebben om Japanners te verstaan. Maar ik weet wel dat ik in die taal dingen zal kunnen vertellen die begrepen worden - dat merkte ik al toen we enkele weken geleden gastgezin waren voor twee meisjes van een Japans koor.

* * *

Er is een onverwachte bonus die ik ervaar als ik met het leren van Japans bezig ben. We leven in een wereld waarin alles ons lijkt te overvallen, waarin we in de schaduw van reuzen leven die beslissingen nemen die ons diep raken zonder dat we er iets tegen kunnen doen. Als ik met mijn Japans bezig ben ervaar ik een grote gemoedsrust. Ik beslis zelf over wat ik wil leren en wanneer, en met elke les leer ik onschatbare dingen - een rijkdom die geen machthebber of dief van mij kan afpakken.
Mijn taalles is een rustpunt, een oase van vrede in een woelige tijd. Zelfs vóór dit schooljaar afgelopen is, kan ik niet wachten tot het volgende begint. Een tip voor een beetje gemoedsrust: leer een taal, daar kunnen de reuzen niet aan je.

Good luck en tot ziens.

Dr. Frans BAERT

Alles over

Reageer als eerste op dit bericht