Goed gehoord?
10/07/'09
Graffiti
We keken naar de lucht die hier vroeger donker wordt dan
thuis, en naar de vuurtoren die onweerstaanbaar onze aandacht
bleef opeisen telkens zijn lichtstraal over ons gleed.
De lange rit naar Zuid-Frankrijk zat er op. Ik was moe. We
zaten buiten aan tafel.
De grote stilte rondom viel me plots op: “Ik hoor dit jaar
precies geen krekels.”
Mijn vrouw en kinderen keken me met ongeloof aan: “Hoe
kan dat? De krekels sjirpen dat horen en zien vergaat!”
Ik hoorde niets. Dagje ouder? Ik liet er mijn avond niet door
bederven en lachte mee toen m’n jongste me probeerde te
troosten door te vertellen dat Beethoven nog goede muziek
kon maken toen hij al stokdoof was.
* * *
Na mijn aankomst uit Tokio zat ik in Schiphol op het vliegtuig
voor Brussel te wachten. Links van me was het einde van
de loopband voor passagiers die liever niet stapten. Een
computerstem waarschuwde gebruikers voor het abrupte
einde van de band: “Mind your step!”
Tegenover me zaten enkele Duitsers die vonden dat het herhalen
van die boodschap op de zenuwen begon te werken.
Vreemd genoeg hadden zij een andere waarschuwing gehoord
dan ik: “One more step!” Zij herhaalden het eentonige zinnetje
zo vaak, dat ik plots begon te denken dat ze misschien
gelijk hadden; dat de stem inderdaad ‘one more step’ zei en
niet ‘mind your step’. De eerste keer niet goed gehoord?
Pas toen de Duitsers al een poos opgestapt waren, begon ik
opnieuw de eerste boodschap te horen: “Mind your step!”
* * *
In de auto luisterde mijn jongste naar zijn ‘iPod nano’. Hij is
gek op gesproken boeken, vooral als die over de geschiedenis
van de Grieken en Romeinen gaan.
Ik voelde een tik van zijn vinger op mijn schouder: “Papa,
ik heb net op m’n iPod gehoord over die rots die wij in
Zuid-Frankrijk bezocht hebben, dat Julius Caesar daar zijn
vijanden van af duwde zodat ze te pletter vielen.” Ik vroeg
hem of hij dat wel goed gehoord had.
Een half uur later weer een tik op mijn schouder. Hij had de
opname teruggespoeld en bevestigde dat hij het toch goed
gehoord had, over die rots en de vijanden van Caesar... Ik
kon niet meer volgen.
* * *
De volgende avond zaten we opnieuw aan tafel. De vuurtoren
deed zijn werk en het werd weer vroeg donker. Tot mijn
opluchting hoorde ik de krekels nu wel: “Ik kan weer horen!
Geen ‘Beethoven-einde’ voor mij!”
Mijn tafelgenoten begonnen te lachen: “Maar papa, dat zijn
de gazonsproeiers!”
* * *
Grote stilte -
Het gesjirp van de krekels
dringt de rotsen binnen.
Basho (1644 – 1694)
(De Reis naar het Binnenland)
* * *
Lang geleden dat ik nog eens naar tennis gekeken heb.
Wimbledon. Spannende match. Leek geen einde aan te komen.
Telkens de bal het net raakte, hoorde ik de scheidsrechter
“Let!” roepen. Had ik hem niet goed verstaan? Kon hij de ‘n’
misschien niet uitspreken?
Even nagekeken op het internet. ‘Let’ wordt vandaag door
een scheidsrechter geroepen wanneer bij een opslag de bal
het net raakt maar toch in het servicevak terecht komt. De
opslag moet dan overgedaan worden. Er bestaat discussie
over de origine van het woord ‘let’. Volgens de enen komt
het van een oud-Engels woord, volgens de anderen van het
Franse ‘filet’, dat ‘net’ betekent...
* * *
De Franse tv-commentatoren van de wedstrijd op Wimbledon
hadden het even over het prijzengeld. Een bedrag
in Britse ponden - in ‘poents’ verduidelijkte de Fransman.
Duurde even voor ik ‘m snapte. “Yes, milord”, antwoordde
zijn confrater.
* * *
Op vakantie lees ik graag. Zit nu halfweg ‘Nocturnes’ van
Kazuo Ishiguro (van ‘The Remains of the Day’).
Een passage in het boek waarin iemand duidelijk maakt dat
hij niet goed gehoord werd, deed me aan het verhaal van m’n
zoon denken, over de rots waar de vijanden van Caesar aan
hun einde kwamen:
‘Jij bent zoals een man op de rand van de afgrond. Een klein duwtje en hij breekt.’
‘Valt, bedoel je.’
Ze zat te prutsen met het moortje, maar draaide zich om en keek
me aan. ‘Nee, Raymond, praat zo niet tegen me. Zelfs niet om
te grappen. Zo wil ik je nooit meer horen praten.’
‘Nee, je hebt me niet goed gehoord. Jij zei dat ik zou breken,
maar als ik op de rand van de afgrond zou staan, dan zou ik
vallen, niet breken.’
* * *
Derde avond. Opnieuw aan tafel, met de vuurtoren en het
vallen van de avond en... de krekels, dacht ik toch.
Ik luisterde hard voor ik er iets over durfde te zeggen. Ik
hoorde ze sjirpen, en ik hoorde ze tegelijk ook niet. Een
ervaring vergelijkbaar met die wanneer je een vervelende
bromvlieg lang achterna hebt gezeten. Nadat je het ding
eindelijk met allerlei listen hebt buiten gekregen en het stil
zou moeten zijn in de kamer, blijf je het gebrom van de vlieg
nog horen, zelfs als hij er niet meer is.
Het doet me aan ‘fantoompijn’ denken. Na een amputatie
blijft een patiënt nog pijn voelen in ledematen die niet langer
deel uitmaken van zijn lichaam. Zou er ook zoiets als ‘fantoomvreugde’
bestaan, vroeg ik me af.
* * *
In de brede zin van het woord - zonder amputatie van ledematen
– stel ik me ‘fantoomvreugde’ ook voor als het gevoel
dat ik misschien zal hebben als ik over zes maanden thuis zit.
Buiten ligt sneeuw, het haardvuur knettert en mijn gedachten
dwalen af naar afgelopen zomer, herinneringen aan toen
ik met vrouw en kinderen buiten zat. Ik zie het licht van de
vuurtoren en hoor de krekels. Zomer, in de winter.
Ook vandaag ken ik dat gevoel als ik plots het gejoel meen te
horen van mijn kinderen toen ze nog ukkies waren, of even
plots en onverwacht de lach van mijn vader, of de stem van
mijn vrouw toen ze ‘ja’ zei. Goed gehoord.
Good luck en tot ziens.
Dr. Frans BAERT