Gedraaid
01/10/'10
Graffiti
Aflevering nr. 1087 - Ik was deze week in een ‘houtdraaierij’ in de buurt van Lier, waar ze stelen voor schoppen, schoffels, harken,
bijlen en borstels maken.
Binnen enkele weken vallen de bladeren - om het karwei van
het bijeenharken wat aangenamer te maken, wilde ik mezelf
op een nieuwe hark trakteren. Ik had er bij m’n buurvrouw
een gezien die licht en sterk was - de steel zat goed in de hand
en de tanden waren van een buigzaam nylon zodat je ook in
een perkje lustig kon harken zonder bloemen of planten te
beschadigen.
De houtdraaierij waar de handige harken gemaakt werden,
was een onopvallende familiezaak langs een drukke baan.
In de winkel bij het atelier werd elke mogelijke hark en schop
die een mens zich kan voorstellen te koop aangeboden - ik
kwam ogen te kort. In het atelier - waar ik doorheen moest
om naar het toilet te kunnen - was een grootmoedertje druk
bezig met het vastzetten van stelen aan schoppen. Met de
zware hamer in haar rechterhand sloeg ze op een spijker die
ze met de linkerhand vasthield – nooit eerder een omaatje
zoiets zien doen. Ik stapte over schaafkrullen en langs bergen
schoppen en schoffels - achterin het atelier lagen honderden
stokken en stelen gestapeld.
Ik vond mijn hark, maar had ook trek in een schoffel gekregen...
De mevrouw van de zaak vroeg me in haar dialect wat
en waar ik precies wilde schoffelen - ze verstond me altijd
pas nadat ik mijn zin herhaald had. Ze raadde me een met
de hand gesmeed exemplaar aan, dat aan alle vier kanten
geslepen was. Achterop de steel zat een kruk waardoor het
schoffelen gemakkelijker zou gaan, legde ze uit. Ze zag hoe
ik de schoffel vasthield en gaf me het advies om dat anders
te doen. Ze bekeek me even van kop tot teen en stelde vast
dat ik ‘gienen hiele groete’ was. Ze riep naar de man in het
atelier om snel een andere steel voor me in de schoffel te
zetten: “Voor ne ‘14’, me die aandere kruuk...”
In de winkel hoorde ik Duitsers en Nederlanders die speciaal
naar de houtdraaierij gekomen waren om gesteeld tuingerief
te kopen. De man van de zaak sprak gewoon zijn dialect met
een Duitser - de twee verstonden elkaar perfect.
Toen ik wilde betalen, kreeg ik van de vrouw te horen dat
ze van bankkaarten en dergelijke niet wilde weten. Ik moest
met de auto naar een bank in een dorp een kilometer of zes
verderop. De zaak werd blijkbaar nog gerund zoals een halve
eeuw geleden. Toen ik aan de man van het atelier vertelde dat
ik ze niet op het internet had kunnen vinden, antwoordde hij
dat hij het zo wilde houden: “Ik heb al meer dan genoeg klanten,
als er meer komen is het hier niet meer plezant.” Ander
perspectief op handel & economie, daar in de houtdraaierij.
Omgekeerde - of beter: omgedraaide - wereld.
* * *
Voor een westerling staat een Japanse zin ondersteboven, op
zijn kop. Zo zegt een Japanner die vaststelt dat een krant op
de tafel ligt: ‘Tafel van boven daar krant het is’.
Ik had er drie uur Japanse les opzitten. Toen ik thuiskwam,
stond m’n hoofd ook ‘op zijn kop’ (kan dat?). Ik had er
honger van gekregen en warmde een pannetje kervelsoep
op. Terwijl ik met mijn vrouw praatte, smeerde ik mezelf een
boterham met Hollandse kaas. Ik was m’n soep vergeten en
at na de boterham als dessert een stuk chocolade, om mee
af te sluiten.
Ik keek om en zag de warme soep nog staan... Soep na chocolade,
het kán niet. Maar de lekkere soep laten staan leek ook zonde. Ik draaide een denkbeeldige knop in mijn hoofd om en at de soep - lekker van de eerste hap!
Mijn vrouw vroeg wat ik de volgende dag van plan was. Om
indruk te maken goot ik m’n antwoord in de vorm van een
Japanse zin: “Morgen houtdraaier naar gaan-willen is”.
* * *
In de lucht, daar blijft je wortel, daar,
in de lucht.
Paul Celan, uit: ‘De niemandsroos’ (1963)
* * *
Op de Hollandse buis beelden gezien van ‘oma Sien’ die pas
honderdenzes was geworden. De reporter kwam enthousiast
met een bos bloemen aanzetten: “Oma Sien, honderdenzes,
hoe valt dat nou?” Oma Sien - nog heel goed ter been en ook
mentaal vinnig en scherp - antwoordde verrassend: “Ellendig.
Nóg ouder? Verschrikkelijk. Voor mij hoeft het niet.”
* * *
Onderweg naar de houtdraaierij schrok ik me een hoedje
toen ik op de E313 in het Beringse een allochtone vrouw
in traditionele kledij passeerde. Ze liep op de smalle strook
tussen de middenberm en het rijvak voor het snelste verkeer!
De vrouw leek helemaal niet angstig, was waarschijnlijk niet
aan haar proefstuk toe. In Turkije heb ik mensen gezien die
zonder vrees voor hun leven te voet een snelweg overstaken.
Normaalste zaak daar.
Wat kon ik doen? Moest ik de politie bellen? Zouden ze nog
op tijd kunnen zijn om haar te helpen? Ik was zelf angstig,
het noorden kwijt. Maar de vrouw had duidelijk haar zuiden
nooit verloren.
* * *
Zondag met mijn vrouw de film ‘Adam’s Aebler’ (‘Adams
Appels’, 2005) van de Deense cineast Anders Thomas Jensen
gezien. Aanrader. Op het eerste gezicht een gewoon verhaal:
neo-nazi komt vrij uit de gevangenis, wordt naar een dorp
bij een dominee gestuurd om zich maatschappelijk te integreren.
We hadden niet gedacht dat ‘Adam’s Aebler’ ons zo uit ons
lood zou slaan. De dominee in de film zegt voortdurend dingen
waarvan je nooit weet of je erom mag lachen. Hetzelfde
geldt voor zowat elk personage in de film - niemand speelt
zijn rol in de wereld op een manier die we gewend zijn. De
film draait de dingen om. Daarin ligt zijn sterkte, en ook
zijn wijsheid.
* * *
Nadat ik het laatste restje kervelsoep uit mijn kommetje had
gelepeld, kreeg ik opnieuw trek in een stuk chocolade...
Good luck en tot ziens
Dr. Frans BAERT