De zaadcatalogus
21/08/'09
Graffiti
Aflevering nr. 1032 - Of ik hem een zaadcatalogus kon opsturen, had ze me ooit
gevraagd. De herinnering kwam plots terug.
Arlene had me zo’n vijftien jaar geleden verteld dat haar man,
Robert - na hun verhuizing van Californië naar New Jersey
- aan het boeren was gegaan. Een oude droom die eindelijk
voor hem in vervulling ging. Vandaag verkocht hij zijn groenten
en fruit aan lokale restaurants en winkelzaken. Op dagen dat
het wat minder druk was, hield hij zich ook bezig met het
verzamelen van zaadcatalogi van over de hele wereld. Ik ging
voor een Belgische catalogus zorgen, beloofde ik haar toen.
Enkele weken geleden waren we uitgenodigd voor een familiepicknick
in Los Angeles. Mijn schoonzus organiseert
om de vier, vijf jaar zo’n bijeenkomst. Tantes, neven en zelfs
achterneven die ik al heel lang niet meer gezien had, ze waren
er allemaal. Toen ik Arlene zag, herinnerde ik me plots mijn
oude belofte om een zaadcatalogus naar Robert te sturen.
Knal vergeten.
Arlene gaf me een knuffel. Robert was in New Jersey gebleven,
kon niet weg van zijn werk, legde ze uit. Omdat de familiepicknick
altijd in de zomer valt - drukke tijd voor een boer - is
Robert al heel lang niet meer geweest. Ik vertelde aan Arlene
dat ik de catalogus van Robert vergeten was. Helemaal niet
erg, zei ze. Ik vroeg zijn adres.
* * *
Enkele ochtenden geleden plukte ik een druifje van de tak van
onze druivelaar die ik vorig jaar tot aan het slaapkamervenster
had kunnen leiden.
In de lente van dit jaar - na de strenge winter - dacht ik nog
dat hij eraan was. Ik schreef toen: ‘In de verweerde takken van
onze druivelaar zie ik geen enkel teken van leven. Als hij het
niet haalt, zou me dat bedroefd stemmen. We hebben in de
afgelopen jaren al zoveel plezier aan hem beleefd. Manden met
sappige druiven geplukt, en liters druivensap van zijn vruchten
geperst. Toen we hem plantten, was hij een krom stokje van
amper een metertje. Vorige zomer leidde ik zijn jongste takken
helemaal tot aan ons slaapkamerraam. Mijn droom was om
dit jaar - ‘s ochtends na het ontwaken - een druifje te kunnen
plukken...’
* * *
Er waren voor de familiepicknick meer dan honderd familieleden
komen opdagen. We zaten op het gras of in de schaduw van
een oude druivelaar en smulden van het lekkers dat iedereen
had meegebracht. De stam van de druivelaar was zo dik als
mijn been. Oom Seymour beweerde dat hij minstens honderd
jaar oud moest zijn. Ik zag dat er alleen maar heel kleine groene
druifjes aan hem hingen, misschien kan zo’n oude boom geen
goede vruchten meer maken? “De vogels zijn met de rijpe
druiven gaan vliegen”, lachte oom Seymour.
* * *
Michael vertelde me een week later dat mama en papa niet meer
naar huis zouden komen, dat ze dood waren (...) Ik ben niet
zeker dat ik toen wist wat dood betekende. Mijn vriend Mark
had die lente een boom geplant en me verteld dat hij nu bijna
dood was (...) In mijn geest had ik die kale boom met de dood
van mijn ouders vermengd, een bleek en bitter gevoel van verlies
onder de zomerzon.
Robert Meeropol, ‘An Execution in the Family’ (2003)
* * *
Sommige familieleden waren door werk of ziekte niet komen
opdagen, enkele waren overleden. Zo’n familiepicknick is
een soort catalogus van wie er nog is, wie niet. Je komt er dus
niet alleen de mensen tegen die er zijn, maar er wordt ook
gepraat over, en gedacht aan de afwezigen, aan de mensen
die er niet zijn.
Aan oom Arnie - die in de schaduw van de oude druivelaar zat - vroeg ik of het waar was wat ik van Arlene bij de vorige familiepicknick
had gehoord, dat zijn ouders met de Rosenbergs
bevriend waren. Het echtpaar Julius en Ethel Rosenberg werd
in 1953 terechtgesteld. Ze werden ervan verdacht geheimen van
de atoombom aan de Sovjet-Unie te hebben doorgespeeld. De
feiten konden nooit bewezen worden, maar in een klimaat van
paranoia en hysterie - het was de tijd van Joseph McCarthy
met zijn ‘Committee on Un-American Activities’ - moest
een zondebok gevonden worden. De Rosenbergs werden
terechtgesteld op de elektrische stoel van de gevangenis van
Sing Sing - een afschuwelijke zaak. Volgens getuigen moest
Ethel herhaalde malen geëlektrocuteerd worden voor men
kon vaststellen dat ze dood was. Het is zo goed als zeker dat
ze onschuldig was. Dat ze bovendien twee zoontjes - Michael
(10) en Robert (6) - achterliet, toont aan hoe bloeddorstig de
communistenjagers waren.
Op mijn vraag of de Rosenbergs vrienden waren van de familie,
antwoordde Arnie dat het anders zat, dat ze met hen
verwant waren. Familie? Ik schrok wel even. Als ik er meer
over wilde weten, zei Arnie, moest ik contact opnemen met
neef Joel. Joel was niet komen opdagen voor de picknick - hij
is toneelschrijver en moest die dag in New York zijn voor de
opvoering van een stuk.
* * *
Een zaadcatalogus. Ik had me daar foto’s of tekeningen van
zaadjes bij voorgesteld.
Enkele dagen geleden vond ik eindelijk een zaadcatalogus
voor Robert en zag dat mijn voorstelling ervan totaal verkeerd
was - geen afbeeldingen van zaden, maar wel van pompoenen,
maïskolven, grassprieten en dergelijke. Wat de zaaier
interesseert zijn de resultaten van het kiem- en groeiproces,
niet de vorm, kleur en grootte van de zaden natuurlijk. Zo’n
zaadcatalogus is dus eigenlijk ook een vruchtencatalogus.
Joel bevestigde me in een e-mail dat wij wel degelijk familie
zijn van de Rosenbergs. Ik schrijf ‘wij’ uit solidariteit - als
mijn vrouw en kinderen familie van iemand zijn, dan ben ik
dat ook.
Joel vertelde me dat zijn moeder destijds - na de executie
van de ouders - de zoontjes van de Rosenbergs had willen
adopteren, maar dat zijn vader ertegen was. Hij had niet
genoeg geld voor hun opvoeding, zei hij toen. De jongens
waren al van school gestuurd door een schooldirecteur die
geen ‘kinderen van verraders’ duldde. Het was duidelijk dat
de adoptie geen eenvoudige zaak zou zijn. Michael en Robert
kwamen in een ander gezin terecht en kregen een nieuwe
achternaam, Meeropol. Michael werd hoogleraar economie,
Robert antropologie - beiden waren ook politiek actief en
schreven samen een boek ‘We Are Your Sons: The Legacy of
Ethel and Julius Rosenberg’ (1987).
* * *
In de lente stond ik aan het slaapkamerraam en vroeg me af
wat ik met de dode druivelaar zou doen. Omhakken? Wilde
ik nog een nieuwe planten?
Plots merkte ik dat op de takken die het verst van de stam
verwijderd waren, kleine, groene knopjes stonden. De boom
leefde dus nog.
Ik bedacht toen dat de afbeeldingen die je van familiestambomen
ziet vaak op druivelaars lijken, met takken die heel
ver kunnen geleid worden. Van een gat in de grond tot aan
een slaapkamervenster, of van de Rosenbergs tot ergens ver
weg in Limburg.
Good luck en tot ziens
Frans BAERT