Asperges met botersaus
21/05/'10
Graffiti
Aflevering nr. 1069 - Op weg naar huis verliet ik ten zuiden van Roermond
de snelweg. Ik herinnerde me daar aspergekwekerijen
gezien te hebben - de streek van het ‘witte goud’. Ik
moest niet ver zoeken - een eindje verder dan de afrit stond
al een kraam langs een aspergeveld.
De jongeman verkocht ze in een viertal verschillende maten
- ik koos de dikste asperges die hij had. Terwijl hij ze voor
me woog, hoorde ik ze ‘piepen’ - het geluid dat verse asperges
maken als hun basten tegen elkaar schuiven. Tien euro
betaalde ik voor ongeveer drie kilo.
Ik probeerde een babbeltje met de jongeman te slaan, maar
verstond bijna geen woord van wat hij zei. Ik vermoedde dat
hij gastarbeider was - vooral uit Polen komen aspergeplukkers
met honderden naar onze streken afgezakt. Bleek dat hij het
lokale dialect sprak - op amper een kilometertje of twee van
de grens was dat bijna Duits.
Ik uitte mijn waardering voor de edele groente door van
het ‘witte goud’ te spreken, maar de jongeman vertelde me
dat die uitdrukking niet meer bestaat: “Dat zeggen ze niet
meer.” Ik was nieuwsgierig naar de reden waarom, maar dat
antwoord moest hij me schuldig blijven. Blijkbaar deelde hij
mijn nieuwsgierigheid niet, ook al zat hij in de branche. Als
antwoord herhaalde hij gewoon wat hij me al gezegd had:
“Dat zeggen ze niet meer.”
* * *
“Hoe komt het dat je de dikste asperges hebt gekocht,” wilde
mijn vrouw weten. Ze gaf me een knipoogje - met asperges
zijn zinspelingen nooit ver weg. Nu ik thuis was schrok ik zelf
ook een beetje van het formaat van de groente die ik gekocht
had – nog nooit zo’n dikke asperges gezien.
“Je hebt me toch altijd gezegd dat kleinere groenten lekkerder
smaken: radijsjes, courgettes, boontjes...” Ik hoorde het tikkeltje
spot in haar stem en wist waarom. Toen we in Amerika
woonden, maakte ik altijd mijn beklag over de reusachtige
groenten die daar verkocht werden, en daarom opvallend
weinig smaak hadden in vergelijking met die van Europa
- wortels waarmee je iemand kon doodkloppen, radijzen
zo groot als mandarijnen, bloemkool waar je bij wijze van
spreken onder kon schuilen als het regende...
Ik had geen zin om mezelf te verdedigen en antwoordde
gewoon dat ik de dikste asperges de lekkerste vind. Mijn
vrouw vond het leuk dat ik me aan revisionisme schuldig
moest maken. Ze had een afspraak met een vriendin die
avond en vroeg of het goed was als zij haar portie later zou
eten: “Kan je mij een bord klaarzetten voor als ik straks
thuiskom?”
Terwijl de asperges kookten, hield ik er trouw de wacht bij
- af en toe prikte ik erin om te zien of ze gaar waren. Zonde
om zo’n kostbare groente te laten platkoken.
Ik serveerde ze met gesmolten boter, geplette harde eitjes,
nieuwe aardappelen en fijngehakte peterselie. Ik heb in mijn
leven al heel wat andere bereidingswijzen geprobeerd, maar
die vallen me altijd tegen. Voor mij enkel Vlaamse asperges,
zonder ‘faciliteiten’.
Ze smaakten heerlijk zoet. Met een glas witte wijn erbij...
Hemels.
Met het kookvocht en de schillen zou ik de volgende dag
nog soep maken. Tien euro voor drie kilo wit goud... Goed
geïnvesteerd.
* * *
Was het de witte wijn? Of de vermoeidheid na een lange,
drukke dag? Rond een uur of tien moet ik voor de tv in slaap
gevallen zijn.
Toen ik plots wakker schoot, wist ik eerst niet wie of waar ik
was. Voelde me als een duiker die te snel weer op het droge
getrokken wordt en duizelt door de abrupte overgang van
grote diepte naar zeeniveau. Ik bleef nog een poos voor me uit
staren om weer op adem te komen. Vond m’n bril op de tast
en verkende de kamer. De tv-klok stond op half twee. Hoe
lang had ik dan geslapen? Waar was mijn vrouw? Nog niet
thuis? Zo laat? Had ze me toch kunnen bellen om te zeggen
wat er aan de hand was. Ik maakte me ongerust.
De hond kwam voor me staan en maakte duidelijk dat ze naar
haar slaapplaatsje wilde. Ik liep met haar door de keuken en
zag het mobieltje van mijn vrouw op de tafel liggen. Daarom
had ze me niet kunnen bellen. Maar dan had ze toch die van
iemand anders kunnen lenen? Ik hoopte dat er niets ergs
gebeurd was.
In de keuken vond ik het bord dat ik voor haar had klaargezet
- de asperges waren verdwenen. De hond keek me raar aan
- zou niet de eerste keer zijn dat zij ons ‘menseneten’ had
binnengespeeld.
Ik besloot nog niet naar bed te gaan, wat langer te wachten.
Het laatste deel van de film ‘Metropolis’ (1927) van Fritz Lang liep op de buis. Merkwaardige prent die ik heel lang
geleden gezien had en blij was opnieuw te kunnen bekijken.
Na het einde van de film spoelde ik de ‘Digibox’ terug – het
‘laat avond journaal’ en het weerbericht passeerden enkele
keren.
Rond half drie was ik het wachten beu en trok naar bed.
Geen nieuws was misschien goed nieuws, redeneerde ik. Ik
was nog altijd ongerust maar eigenlijk ook best een beetje
boos – me zo lang in het ongewisse laten...
M’n vinger ging naar de knop in de slaapkamer, maar ik
aarzelde om het licht aan te doen. In het schemerdonker
ontwaarde ik het hoofd van mijn vrouw dat op het kussen
lag. Was zij al die tijd thuis? Ik was even in de war, moest
abrupt van denkversnelling veranderen.
Mijn vrouw werd wakker toen ik naast haar in bed kroop.
“Je lag in zo’n diepe slaap toen ik thuiskwam,” fluisterde ze
lief. Even later voegde ze daar aan toe: “De asperges waren
heerlijk. Je had gelijk, die dikste zijn de beste.”
De storm in mijn hoofd was volledig gaan liggen. Ik voelde
me dankbaar en opgelucht. Alles weer koek en ei – of beter:
asperges met botersaus.
Good luck en tot ziens.
Dr. Frans Baert