Verliezen rechtszaak tegen baas wordt veel goedkoper
13/01
De Kamercommissie Justitie heeft de wet op de fee shifting gewijzigd. Door die wet moet de verliezer van een rechtszaak de kosten van de erelonen van de advocaat van de winnaar betalen. De meest spectaculaire verandering is dat rechtszaken tussen werkgevers en werknemers (bv. over ontslag) voor de verliezer tot honderd keer goedkoper kunnen worden. Bovendien zal de rechter aan een verliezer die een pro Deo-advocaat heeft, een symbolische vergoeding kunnen opleggen.
De wet van 21 april 2007 voert een systeem van fee shifting in België in. Daardoor moet de verliezer van een burgerlijke rechtszaak de kosten van de advocaat van de winnaar betalen. Dat is het principe. Maar omdat de balies niet wilden dat de advocaten telkens hun volledige erelonen moesten bekend maken en omdat anderen vreesden dat er in ieder geding een nieuw, extra geding zou ontstaan over de hoogte van de erelonen, werd gekozen voor een vaste forfaitaire vergoeding. Die vergoeding noemt men de rechtsplegingsvergoeding (RPV).
Die RPV verschilt al naargelang de grootte van de inzet van het geding. Hoeveel de verliezer moet betalen wordt geregeld via een Koninklijk Besluit. Bij gedingen met een inzet tot 250 euro bedraagt ze 150 euro, bij gedingen met een inzet boven het miljoen bedraagt ze 15.000 euro.
De rechter kan op verzoek van de partijen de RPV verlagen tot de helft of verhogen tot het dubbele. Voor iedere RPV is er dus een minimumbedrag en een maximumbedrag. Daardoor kan de RPV varieren tussen 75 euro en 30.000 euro.
Als het geschil niet in geld kan worden uitgedrukt, dan bedraagt de RPV 1.200 euro, met een minimum van 75 euro en een maximum van 10.000 euro.
De wet op de fee shifting geldt in alle burgerlijke zaken en ook voor de arbeidsrechtbank. Voor geschillen over sociale zekerheid zijn er verlaagde tarieven tussen 26,46 euro minimum en 331,5 euro maximum. In strafzaken geldt de wet in principe niet, behalve voor als de burgerlijke partij rechtstreeks heeft gedagvaard.
De wet op de feeshifting werd ingevoerd omdat men vond dat mensen die gelijk hebben niet moeten betalen om bij de rechter ook gelijk te krijgen. Nu is dat wel zo. Bovendien wilde men nutteloze gedingen afremmen en de gerechtelijke achterstand verminderen: burgers zouden wel twee keer nadenken vooraleer ze naar de rechter stappen.
Nadeel van de wet was dat de toegang tot de rechter voor de armen veel moeilijker werd. Op het terrein waren er betwistingen rond allerlei onduidelijkheden. Voormalig justitieminister Jo Vandeurzen (CD&V) richtte een werkgroep op om alle problemen in kaart te brengen. Die leidde tot een wetsontwerp én een ontwerp van Koninklijk Besluit. Beide documenten werden dinsdag aan de Kamercommissie Justitie voorgelegd en het ontwerp werd daar goedgekeurd. Het ontwerp-KB is al in eerste lezing door de ministerraad goedgekeurd én al aangepast aan de bedenkingen van de Raad van State. Het zal dus niet meer veranderen. We bespreken beide samen.
WAT VERANDERT ER?
1. Alle geschillen bij de arbeidsrechtbank krijgen een verminderd tarief. Dat tarief bestond al voor sociale zekerheidsgeschillen: rechtszaken over schadevergoedingen bij beroepsziekten en arbeidsongevallen, over gezinsbijslagen en bijdragen aan het RIZIV, over zwart werk, over het bestaansminimum e.d.
Daar komen nu de geschillen tussen werkgevers en werknemers bij. Bijvoorbeeld over ontslag. Nu betaalt de verliezer van zo'n rechtszaak nog de volle pot: tussen 75 euro en 30.000 euro, al naargelang de inzet van het geding. Dat verandert. De verliezer zal nu minstens 26,5 euro en hoogstens 331,5 euro moeten ophoesten. Een rechtszaak over je ontslagvergoeding verliezen kan dus tot honderd keer goedkoper worden.
De motivering van deze verandering is dubbel:
* Er is een financieel onevenwicht tussen werkgever en werknemer dat meestal niet gecompenseerd wordt door een tussenkomst van de staat tegenover een verliezende werknemer.
* De hoge RPV werkt remmend tegenover ontslagen werknemers die het niet makkelijk hebben. Zij zouden niet naar de rechter durven stappen, ook als ze misschien wel zouden kunnen winnen.
* Het arbeidsrecht heeft veel "open begrippen", waardoor processen onvoorspelbaar worden. Dat rechtvaardigt een lage RPV.
Deze regeling, die in het KB werd uitgewerkt, is een compromis. Toen de wet werd goedgekeurd, wilde de PS àlle zaken bij de arbeidsrechtbank buiten de wet houden. Als ze er toch onder zouden vallen, dan wilden ook de vakbondsafgevaardigden een RPV krijgen als zij een zaak wonnen. In arbeidszaken wordt de ontslagene meestal verdedigd door iemand van de vakbond, maar dat is geen advocaat. En dus kan hij nu ook geen RPV krijgen. Als de ontslagene verliests moet hij wel RPV betalen aan de advocaat van zijn bedrijf. De vakbond ervaarde dit als een ongelijkheid.
Omdat de advocatuur dan weer niet wilde dat de voordelen van haar "pleitmonopolie" nog verder werden doorbroken, kwam een compromis uit de bus. De lage RPV's zouden niet alleen gelden voor geschillen rond sociale zekerheid, die doorgaans de armen betreffen, maar voor alle geschillen bij de arbeidsrechtbank.
2. Door een amendement van Raf Terwingen (CD&V) wordt het nu ook mogelijk dat de rechter nog onder de minimum-RPV gaat, tenminste als de verliezer een pro Deo-advocaat heeft. De huidige wet zegt al dat de rechter het gewone bedrag kan "aanpassen", maar sommige rechtspraak en rechtsleer interpreteerden dat zo dat de RPV ook kon worden verhoogd. Het Grondwettelijk Hof floot die interpretatie terug op 18 december 2008. Een verhoging zou een schending van het stand still-beginsel uit de grondwet zijn. Dat garandeert iedere arme het behoud van de rechten en de bescherming die op een bepaald moment verworven zijn, tenzij dringende maatschappelijke noden het anders willen. Die dringende maatschappelijke noden zijn er niet, zodat een verhoging uitgesloten is. Terwingen goot het arrest in een amendement en de Kamercommissie Justitie keurde dat goed.
3. Er is nu ook een regeling voor rechtszaken met meerdere partijen. De vraag rees hoeveel RPV's hier moesten worden toegekend.
In sommige gevallen verdedigde één advocaat tien mensen en kreeg hij tien keer de RVP als hij won. De som die de verliezer moest betalen zou zo wel erg hoog kunnen oplopen.
* Beslist werd dat meerdere partijen die zich door dezelfde advocaat laten verdedigen, slechts één RPV krijgen. Ze moeten die onder elkaar verdelen.
* Voor de verliezers mag de som van de RPV nooit meer bedragen dan het dubbele van het maximum dat de winnaars kunnen krijgen. Dat maximum wordt het maximum van de winnaar die het meeste zou kunnen krijgen. De rechter verdeelt dat bedrag onder de winnende partijen.
Door deze regel wil men vermijden dat verliezers in een zaak met heel veel winnaars een kolossale som aan RPV zouden moeten betalen.
4. Verder zegt de wet dat nog slechts één RPV wordt toegekend per "gerechtelijke band". Dat moet een oplossing brengen voor rechtszaken met eisen én tegeneisen. Bijvoorbeeld: iemand eist een schadevergoeding voor een overhangende tak in zijn tuin, de tegenpartij eist daarop een schadevergoeding voor lastig en tergend geding. Sommige rechtbanken meenden dat de verliezer van dit soort zaken twee RPV's moet betalen. Néé, zo zegt het parlement nu. Er is immers een "gerechtelijke band" tussen de partijen en dan is er maar één RPV.
Omgekeerd komt er een extra RPV bij als een nieuwe partij in het geding tussenkomt. Bijvoorbeeld: in een lopende rechtszaak tussen een bouwheer en een eigenaar over een lekkende garage blijkt dat een regenpijp van de buurman verantwoordelijk is voor het lek. Hij wordt ook gedaagd. Dat schept een nieuwe gerechtelijke band tussen de buurman én de persoon die hem daagt. En dus een nieuwe RPV. Maar de andere partijen zijn daar niet bij betrokken. Voor hen geldt nog wel de aanvankelijke gerechtelijke band. In deze zaak zijn er dus twee RPV's.
5. De burgerlijk aansprakelijke partij krijgt ook een RPV als ze de zaak wint. Nu is dat niet zo: alleen de gedaagde zelf krijgt RPV als hij wint.
6. Als de rechter zich in een zaak onbevoegd verklaart, komt er geen RPV. Ook hierover was onduidelijkheid. Maar een vonnis van onbevoegdheid is geen definitieve beslissing en er is geen partij in het ongelijk gesteld. Dus geen RPV.
7. Er is ook een oplossing voor het verstek. Als partijen in een rechtszaak nooit verschijnen en ze verliezen, dan zakt de RPV tot het wettelijke minimum. Dat zegt de wet nu. Maar zoiets moedigt verstek aan en creëert ongelijkheden met partijen die wel komen opdagen maar bv. alleen maar uitstel van betaling vragen. Als zij verliezen moeten ze de volle pot betalen. Hoewel de rechter zelf kan bijsturen, als hij de betrokkene dat vraagt. Die regeling werkt echter niet in de praktijk.
De wet wordt nu zo dat de minimum-RPV van toepassing is in drie gevallen:
* Er is een vonnis bij verstek, geen enkele verliezer kwam ooit opdagen.
* Alle partijen verschenen op de inleidende zitting en de gedagvaarde gaat akkoord met de eis.
* Alle partijen verschenen op de inleidende zitting, en de gedaagde vraagt alleen maar betalingsuitstel.
8. Het Openbaar ministerie zal niet meer veroordeeld kunnen worden om een RPV te betalen als het zijn zaak verliest. Dat kon al niet in strafzaken, het kon evenmin als het OM een advies gaf in burgerlijke zaken. Het kan in de toekomst ook niet meer als het OM vordert in burgerlijke zaken (bv. als het een faillissement vordert, of de ontbinding van een huwelijk, of de ontneming van iemands nationaliteit, of in tuchtzaken.) Het OM, of de arbeidsauditeur, zullen dus nooit nog een RPV moeten betalen als ze verliezen.
De motivering is dat het OM het openbaar belang verdedigt, ook in burgerlijke zaken. Het moet dat in volle onafhankelijkheid kunnen doen.
9. De wet op de betalingsachterstand in handelszaken bevat een eigen regeling voor de vergoeding van de erelonen van de advocaat van de winnaar. Die regeling wijkt af van die in alle andere rechtszaken en ze wordt afgeschaft.
10. De nieuwe wet treedt in werking samen met het nieuwe Koninklijk Besluit. Wanneer dat is, staat nog niet vast. Maar als ze in werking treedt wordt ze wel onmiddellijk van toepassing op alle hangende gedingen.
Het ontwerp moet nog naar de voltallige Kamer én nog naar de Senaat.
Lees ook:
Hoeveel kost de advocaat van de winnaar van een rechtszaak aan de verliezer?
Verliezer betaalt advocatenkosten van de winnaar.
Vlaamse advocaten verdienen goed.