RSZ jaagt op onkostenvergoeding

12/02/'10 Filip Tilleman Sinds jaar en dag is het toekennen door een werkgever van forfaitaire onkostenvergoedingen aan zijn personeelsleden een doorn in het oog van de Rijksdienst van Sociale Zekerheid (RSZ). Terwijl op het brutoloon van de werknemer door de werkgever een socialezekerheidsbijdrage van ongeveer 35% moet betaald worden, ontsnapt de onkostenvergoeding daar immers aan.

Ook de werknemer moet op de ontvangen forfaitaire onkostenvergoeding geen 13,07% werknemersbijdrage betalen aan de RSZ.

Het gevolg is dat bij quasi elke controle door de Sociale Inspectie wordt nagegaan of het door het bedrijf toegekende bedrag wel degelijk beantwoordt aan reële kosten die gemaakt zijn door de werknemers. Indien dit niet het geval is, wordt een gedeelte of het geheel van deze onkostenvergoeding alsnog onderworpen aan sociale zekerheidsbijdragen. Hierbij zal de werkgever zowel de werkgeversbijdrage als de werknemersbijdrage moeten betalen, verhoogd met nalatigheidsinteresten en bijdrageopslagen. De werknemer zelf ondervindt niet de minste last van deze herkwalificatie. De grijparmen van de RSZ kunnen hierbij drie jaar in de tijd teruggaan.

Het was tot voor kort echter wel de RSZ die moest bewijzen dat de forfaitaire onkostenvergoedingen geen werkelijk gemaakte kosten dekten en in wezen verdoken loon waren. Door de programmawet van 30 december 2009 wordt sinds 1 januari 2010 deze bewijslast omgekeerd. Het is dus niet langer de RSZ die de bewijslast draagt, maar wel de werkgever.

Bewijzen

Het hoeft geen betoog dat dit het voor de bedrijven fundamenteel moeilijker zal maken om de forfaire onkostenvergoeding te doen aanvaarden als werkelijke kosten. De werkgever kan wel alle mogelijke bewijsmiddelen aanwenden om zijn visie te verdedigen.

Praktisch gezien is het nu ten stelligste aan te raden om gedurende enkele maanden per werknemer bewijsstukken ( facturen, bonnetjes..) bij te houden om de realiteit van gemaakte kosten te kunnen bewijzen.

Fiscus is RSZ niet

Opmerkelijk hierbij is dat een akkoord tussen het bedrijf en de fiscale administratie over de hoogte van de forfaitaire onkostenvergoeding de RSZ totaal niet bindt. Het is dus perfect mogelijk dat voor de fiscus een bepaald bedrag effectief als onkostenvergoeding wordt behandeld, terwijl de RSZ hetzelfde bedrag doodleuk als loon gaat behandelen.

In deze context dient ten zeerste onderstreept worden dat een akkoord tussen een bedrijf en de fiscale administratie voor beide partijen bindend is en moet gerespecteerd worden, terwijl met de Sociale Inspectie ter zake in naam van de RSZ geen bindende juridische akkoorden kunnen gesloten worden. De Sociale Inspectie kan dus voortdurend haar evaluatie van het voordeel bijspijkeren…

Filip Tilleman

Advocaat

Tilleman van Hoogenbemt, Antwerpen

Reageer als eerste op dit bericht