Uitgestelde scheiding
17/04/'09
XL
Van 1830 tot 1839 beleeft Limburg een periode
van onzeker afwachten. Eigenlijk is het in de
herfst van 1831 al duidelijk dat de rechter
Maasoever weer Nederlands zal worden. Toch
wappert de Belgische vlag er nog tot 1839, een
toestand die voor de meeste inwoners rustig
had mogen voortduren. In 1839 zijn er twee
Limburgen - de Limburgers zelf is andermaal niets
gevraagd.
Een jaar na het uitbreken van de
Belgische opstand, waagt Willem
I alsnog een militair avontuur dat
zijn gezag in het zuiden moet
herstellen.
Op 2 augustus valt een Nederlands
leger de Kempen binnen.
De Tiendaagse Veldtocht speelt
zich grotendeels in Limburg af.
Nederlandse eenheden rukken
via Lommel en Neerpelt op naar
Hamont en trekken over Hechtel
en Helchteren naar Houthalen.
Daar wordt op 6 augustus
gevochten met een Belgisch bataljon
‘Tirailleurs de la Meuse’.
De Belgen onder generaal Daine
laten zich volkomen verrassen.
Oprukkend langs de Demer richting
Diest stoten ze bij Kermt op
Nederlandse troepen die op weg
zijn naar Hasselt. Daine en zijn
Maasleger delven het onderspit.
Als Leuven valt, grijpen de Fransen
in en trekt Willem zijn leger
terug.
Liever Belgisch
Wat daarna gebeurt, is het gevolg
van ‘s konings koppigheid. De
Europese machten besluiten in
Londen dat Willem de helft van
Limburg terugkrijgt (in ruil voor
de helft van Luxemburg). Onder
zware druk aanvaardt de Belgische
regering het verlies: ze tekent
het verdrag dat de Limburgse
deling vastlegt. Maar Willem
wil meer. Zeven jaar houdt hij
het been stijf, tot de rampzalige
toestand van de Nederlandse
schatkist hem in 1838 terug naar
de onderhandelingstafel dwingt
voor een definitief scheidingsverdrag.
Tot 1839 blijft heel Limburg
- op Maastricht na - de facto
Belgisch. Het overgrote deel
van de bevolking hoopt dat van
uitstel afstel komt. Het Belgische
belastingstelsel is vriendelijker en
er is meer politieke vrijheid - België
heeft de liberaalste grondwet
van Europa. De kerk verheugt
zich over nieuwe mogelijkheden:
zo wijdt de Luikse bisschop Van
Bommel al in 1831 het klein-seminarie
Rolduc in - onder Willem
een onmogelijkheid. Economisch
gaat het niet goed. De politieke
onzekerheid schrikt investeerders
af. Zo hoopt de mijnbouw
in Kerkrade vergeefs op nieuw
kapitaal. Voor de boeren is de
Belgische tijd dan weer een zegen:
de graanprijzen zijn voor het eerst
sinds lang stabiel.
Kaaskop
In deze jaren van afwachten heeft
Limburg twee provinciebesturen.
De Maastrichtse rijksarchivaris
Jacques van Rensch: “Maastricht
bleef formeel zetel van het provinciebestuur,
al had dat alleen de stad
en de Sint-Pietersberg als actieterrein.
Het echte provinciebestuur zit
in Hasselt. Met dat bestuur doen de
gemeenten aan beide zijden van de
Maas hun administratieve zaken,
meestal in het Frans, de bestuurstaal
van België.”
Maastricht leidt het leven van een
omsingelde vesting, met een garnizoen
van 6000 soldaten op een
bevolking van 20.000 inwoners.
Vestingcommandant Bernard Dibbets
voert een strak bewind. Het
maakt hem in lengte van dagen tot
doelwit van anti-Hollands sentiment.
De generaal sterft in 1839
aan jicht, vlak voor de scheiding
definitief wordt. Maastrichtse
vaders geven nog generaties lang
hun zonen opdracht om tegen het
grafmonument van de generaal te
urineren.
De aflossing van Dibbets Maastrichtse
garnizoen is voorwerp van
het eerste verdrag tussen Nederland
en België. De conventie van Zonhoven
regelt hoe en langs welke weg
(over Zutendaal, Bree en Bocholt
naar Valkenswaard) de Nederlandse
soldaten af- en aangevoerd
kunnen worden. Die tochten van
Friese, Drentse, Groningse jongens
door vijandelijk gebied leiden nogal
eens tot scheldpartijen waarbij het
woord kaaskop niet van de lucht
is.
Smeekbede
Als Willem I zich in maart 1838
toch neerlegt bij wat er in Londen
afgesproken is, beginnen gemeentebesturen
op de rechter Maasoever
een petitiebeweging. De toon is
smekend: “Wij brengen ter kennis
dat wij Belgisch willen blijven. Onze
morele en materiële belangen zijn
heel en al verbonden met die van
alle Belgen.” In januari 1839 roept
het provinciebestuur in Hasselt de
burgerwachten onder de wapens.
De militaire verloven worden ingetrokken.
De Belgische eerste minister
de Theux de Meylandt (zelf
Belgisch-Limburger) dringt bij de
mogendheden aan op begrip voor
de Limburgse wensen - vergeefs.
Op 19 april 1839 tekenen België
en Nederland het verdrag dat de
deling van Limburg bezegelt.
De uitvoering ervan begint een paar
maanden later. Op 17 juni neemt de
gouverneur in Hasselt per proclamatie
afscheid van de gemeentebesturen
die onder Nederlands gezag
komen. Ook per proclamatie neemt
Willem I bezit van het verloren
gebied. Dat krijgt als ‘hertogdom
Limburg’ een dubbelzinnige plaats
in binnen (of eigenlijk buiten) zijn
koninkrijk. Het is, op Maastricht
en Venlo na, ook lid van de Duitse
Bond. Deze vreemde status leidt
in de jaren veertig nog tot een beweging
die streeft naar afscheiding
van Nederland en aansluiting bij
Duitsland.
Onderdanen
De Nederlandse machtsovername
duurt jaren. Alle ambtenaren blijven
voorlopig in functie, net als de
rechters. De Belgische frank blijft
betaalmiddel. De gemeentebesturen
die in 1838 de Belgische petitie
ondertekend hebben, sturen nu
betuigingen van aanhankelijkheid
naar Den Haag. Rijksarchivaris
Jacques van Rensch: “De toon
is erg onderdanig. Ze vragen de
koning letterlijk om het verleden
het verleden te laten: vergeet toch
alstublieft wat hier de voorbije
jaren gebeurd is.”
Niet iedereen is zo braaf. Op
18 augustus 1839 roepen enkele
Weertenaren ‘Vive les Belges,
merde aan de Hollanders’. De
openbare aanklager maakt er
werk van: de beschuldiging luidt
uiteindelijk majesteitsschennis
- waar jaren gevangenis op
staat. De rechters in Roermond
en Maastricht voelen niets voor
harde repressie van wat straatlawaai
en spreken de beklaagden
vrij.
In de zomer van 1839 schikken de
Nederlands-Limburgers zich lusteloos
in hun lot als onderdanen
van Willem I, aan de rand van het
koninkrijk der Nederlanden.
Marc Van de Weyer