Grens smeekt om smokkel
16/04/'09
XL
Voor Limburgers in de grensstreek - van notabele tot werkloze - is
smokkelen een tweede natuur. Het prijsvoordeel aan de andere
kant van de grens laat niemand schieten, nog altijd niet. Ook
al gaat het maar om 25 cent statiegeld voor een petfles of om
een ‘streepje benzine’. Onschuldig. Frauduleuze btw-carrousels
en illegale invoer van grote partijen drank zijn dat allerminst.
Belastingfraude is even oud als belasting- en accijnsheffing. Met
de Limburggrens in 1839 ontstond al even vanzelfsprekend de
smokkelhandel. De harde realiteit achter een geromantiseerd
misdrijf.
“Het was een hondenleven. We
konden niet anders en we wisten
niet beter. Ons vader stuurde ons
als drager mee met de Hollanders:
12 kilo boter en 10 kilo suiker in een
pungel op de rug. Daarvoor kregen
we een rijksdaalder (zo’n 1,25
euro).” Toen was Jef Goijens amper
16. In Bocholt kennen ze hem als Jef
van Kuub. Hij is intussen 88. Zijn
vrouw Jeanne is er 83. Jaren hebben
ze geleefd van de smokkel. “Rond
de oorlog was er nergens werk. En
er moest geld zijn. Heel Bocholt
smokkelde in die tijd.”
Van op de boerderij van Phil Vod
(Ooms) in Kreyel bijvoorbeeld werd
elke nacht wel een kar margarine
gesmokkeld richting Stramproy.
Ook Jef woonde in een van de
laatste boerderijen voor het dorp.
“Overdag haalden we de waar naar
huis. Suiker kwam van bij Machette
in Bree. ‘s Nachts kwamen de Hollanders
boter en suiker halen. Dan
moesten we mee om te dragen.
Door het veld en door de bossen,
over draden en door grachten. Dat
was een vies leven. En dan moesten
we overdag nog op de boerderij
werken.”
Tijdens de oorlogsjaren braken
gouden tijden aan voor de smokkelaars.
Nederlandse ‘opkopers’
deden grote bestellingen. “Voor
elastiek namen we in Bree de tram
en daarna de trein naar Ninove.
Tapijten moesten we in Antwerpen
gaan halen”, vertelt Jeanne. Haar
man Jef haalde ‘s nachts koren en
boter in Weert en Stramproy. “Twee
zakken van 50 kilo graan op mijn
fiets. Rijden kon je dan niet. De
‘koolputters’ kwamen het halen om
op de cité door te verkopen. Ook
Bocholtenaren namen gesmokkelde
waar mee naar de mijnen.”
De moeilijkste en gevaarlijkste
smokkelnachten waren die met de
beesten. “Het bracht wel goed op,
2.000 frank per koe. Kopers kozen
de beesten uit op de markt in Den
Bosch. ‘s Nachts moesten we ze dan
oppikken in Weert. We bonden de
koeien met vier aan elkaar en dreven
ze door de velden. Aan het kanaal
moesten de beesten overzwemmen,
kwestie van voorbij de commiezen
te geraken. Die stonden op de bruggen.”
Voor de kalveren gebruikten
Jef en zijn smokkelkompanen al
eens een auto. “Kalf in een zak,
kop eruit, en dan in de auto. Als de
zetels eruit waren, konden er wel 7
tot 8 kalveren in.”
In cafés als ‘Mijn Droom’ en ‘Bij
Dikke Bas’ haalde het hele dorp
jenever. Naar Bocholt gesmokkeld
in zakken vol hooi zodat rinkelend
glas geen commies zou alarmeren.
Jef had goede hulp voor onderweg,
zijn ‘Jenny’. “Slim beestje. Mijn
hondje blafte enkel op de commiezen,
die in het bos op de loer lagen.
Ach, de Belgische douane was niet
zo streng. De commiezen riepen
‘Halt douane’ en dan schoten ze met
een pefferke in de lucht. Daar stopte
ik niet voor. Ze kenden ons heus
wel, en ze kregen ook wel eens een
kilo boter. Dan hielpen ze ons.”
Jef is nooit rijk geworden van de
smokkel en hij is een paar keer
opgepakt: smokkelwaar kwijt en
opgesloten in Stramproy en Roermond.
Zijn gezin overleefde de
oorlogsjaren met smokkelcenten.
Een deel van de winst bleef achter
in een café. Eens de economie weer
aantrok, koos Jef voor een echte
job.
De smokkelaars pakten het na
de oorlogsjaren grootschaliger en
professioneler aan. Het leven op de
Limburggrens werd hoe langer hoe
grimmiger. In de Wilde Kempen
streden douaniers en smokkelaars
met pantserwagens, kraaienpoten,
spijkerplanken en vuurwapens om
boter en alcohol. “Het ministerie
van landbouw kocht voor ons
Ford Fairlanes, in de strijd tegen
de gigantische botersmokkel”, zegt
douanier Jef Coomans uit Heusden-
Zolder. “De smokkelwagens
- vaak geladen met 1.500 kilo boter -
hadden opgevulde banden, stangen,
stalen balken om dienstvoertuigen
te rammen. Wij mochten in die tijd
op vluchtende wagens schieten.
Maar er werd teruggevuurd. Het
was keiharde werkelijkheid. Er zijn
toen doden gevallen.”
De smokkelaars reden in grote
Amerikaanse luxewagens zoals
Chrysler. “Als we die auto’s in beslag
konden nemen, mochten we er zelf
mee rijden.” Er werden ook minder
opzichtige trucs gebruikt: smokkelbussen.
“Daarin zaten zogenaamde
grensarbeiders. Het waren in feite
mensen die voor 5 frank hun valies
vol boter duwden.”
Het ‘vette goud’ maakte plaats
voor de winstgevende alcohol. Pure
alcohol. Op een liter werden toen al
zeker 1.000 frank aan accijnzen en
belastingen geheven. Liters gingen
naar stokerijen en likeurhandelaren,
ook de bekende merken. “De
smokkelaars zetten lokwagens in
en ze gebruikten honden om ons
uit te lokken. Alle hulpmiddelen
waren goed. Om sluikwegen vrij
te houden, werden de bazen van
de commiezen - die de planning
organiseerden - omgekocht. Die
bazen gaven hun ondergeschikten
dan bevel om een hele nacht op
een bepaald punt te blijven waken.
Na de dienst zagen de commiezen
dan even verderop bandensporen
of sporen van beesten”, weet Jef
Coomans. Douane en Accijnzen
probeerde de gevaarlijke jacht op de
smokkelaars aan te wakkeren door
hoge premies uit te loven. Wie een
smokkelaar kon pakken, kreeg tot
vier keer de maandwedde. Dan was
het feest bij de douaniers.
Marij WYERS
In het openluchtmuseum Bokrijk
kunnen nog tot eind september
smokkelroutes worden
gevolgd. Info op www.bokrijk.
be