Dit artikel is exclusief voor jou als abonnee

Dit exclusieve artikel lezen? Doe het gratis >

“Hier in Zwartberg heb ik een van de gelukkigste periodes uit de oorlog beleefd”

Gerda ziet voor eerst sinds 1941 het huis terug waar ze drie maanden lang woonde

Gerda Bikales aan de Zenobe Grammestraat 64. Foto: HBVL

Genk -

De Zenobe Grammestraat 64 in Zwartberg. Het adres zal de Joods-Amerikaanse Gerda Bikales (86) nooit vergeten. In de winter van 1940-1941 werd ze als 9-jarig meisje, samen met 3.400 andere Joden, naar Limburg gedeporteerd. Donderdag zag ze voor het eerst het huis terug waar ze drie maanden lang woonde. “Hier heb ik een van de gelukkigste periodes uit de oorlog beleefd.”

“De grond was bevroren. Het was winter.” Gerda Bikales staart naar het achtertuintje in Zwartberg dat ze begin 1941 geleden tevergeefs probeerde te beplanten. “Ik was een stadsmeisje. Ik wist niet genoeg van landbouw.”

Voor Gerda is het de eerste keer dat ze de mijnwerkerswoning terugziet waar ze begin januari 1941 aankwam en die ze drie maanden lang haar thuis zou noemen. De Zenobe Grammestraat 64 in Schwarzberg, zoals Gerda het zelf uitspreekt.

Alles verloren

Over haar ervaringen in de Tweede Wereldoorlog schreef ze in 2004 het boek Through the Valley of the Shadow of Death: A Holocaust Childhood. Het is het relaas van een eindeloos durende vlucht voor vervolging. Gerda wordt in 1931 geboren in Breslau, vandaag het Poolse Wroclaw, destijds deel van Duitsland. Haar gezin - vader en moeder hebben de Poolse nationaliteit - maakt er vanop de eerste rij de opkomst van Adolf Hitler mee. “We verloren alles in Duitsland. Onze rekeningen werden geconfisqueerd. We waren een welgestelde familie, vader verhuurde huizen in Breslau, maar plots hadden we geen geld meer.”

In 1938 besluit vader Bikales te vluchten. Naar New York, waar hij zogezegd zaken moet doen op de Wereldtentoonstelling. “Mijn moeder en ik zouden nareizen van zodra mijn vader visa voor ons had. Maar dat lukte niet. De Amerikanen wilden de Joden ook niet.”

Dieptepunt

In 1939 slaan ook Gerda en haar moeder op de vlucht. Naar familie in Antwerpen. “We stelden ons voor en verwachtten dat we zouden worden binnengelaten, maar in plaats daarvan werd de deur in ons gezicht dichtgegooid. We had nowhere to go. Dat was hét dieptepunt in mijn leven.”

Maar wie de Holocaust overleefd heeft, heeft ook verhalen over toeval. Over geluk. “We trokken naar de tunnels onder het station van Antwerpen. Er wandelde een man verschillende keren voorbij. Mijn moeder dacht dat het politie was, maar het bleek iemand te zijn die mijn grootmoeder had gekend, die uit hetzelfde Poolse stadje kwam als mijn moeder. Zo zijn we uiteindelijk aan een gemeubeld kamertje geraakt.”

Maar de rust duurt niet lang. Op 10 mei 1940 valt Duitsland ons land binnen. “Vanaf dan was het de hel. In oktober 1940 moesten alle Joden zich registreren. Ook mijn moeder deed dat. Idioot natuurlijk, maar we hadden geen keuze. Wie zich niet meldde, riskeerde meteen gedeporteerd te worden.”

Op 31 december moeten Gerda en haar moeder zich melden in het station van Antwerpen. “Mijn moeder vroeg nog aan een Duitse soldaat waar we heen gingen, maar die duwde haar weg. Na dagen in een ijskoude trein - onderweg zag ik een kind sterven in de armen van haar moeder - kwamen we aan in Zwartberg. Een plaats waar ik nog nooit van gehoord had, maar we werden er goed ontvangen door schoolhoofd Jean-Pierre Grieten. Dankzij hem konden we les volgen. Voor mij was het een van de gelukkigste periodes uit de oorlog. Voor de volwassenen was het dat veel minder, want doordat er niet verplicht moest worden gewerkt, was er veel tijd om te piekeren over wat ons te wachten stond. Dat het niet goed was, wisten we toen al. Maar toch durfde niemand te vluchten. Waar zouden we heen gaan?”

In de kolenstoof

Gerda integreert zich razendsnel in Zwartberg. Ze spreekt vloeiend Nederlands en ontpopt zich op school tot de primus. “Tijdens de katholieke les moesten we achteraan in de klas gaan zitten om tekeningen te maken. Maar toch won ik de catechismuswedstrijd.” De prijs: een katholiek heiligenboek, dat bij aankomst thuis door moeder Bikales meteen in de kolenstoof werd gegooid.

Net zoals het boek, eindigt ook het verblijf van de Joden in Limburg even snel als het begonnen is. Begin april 1941, amper drie maanden na aankomst, worden ze weer weggehaald. Historici breken zich nog altijd het hoofd over het waarom van die vreemde deportatie. “Het was de generale repetitie voor alles wat later zou volgen”, denkt Gerda. “De Duitsers wilden testen hoe de Belgische bevolking zou reageren op zo’n massadeportatie.”

Gerda slaagt er uiteindelijk in om via Vichy Frankrijk en Italiaans gebied in Zwitserland te geraken. Ze overleeft de oorlog, net als haar moeder en vader. “Ik heb heel veel geluk gehad en ik ben blij dat hier zo veel volk is”, wijst Gerda naar de mensen die zijn komen opdagen voor de inhuldiging van een nieuwe gedenkplaat aan de school in Zwartberg. Daarop prijkt vanaf nu ook haar naam. Als herinnering aan de vergeten deportatie.