De Duitse fotografische inventaris van het Limburgse erfgoed (1917-1918)

Limburg door de lens van de bezetter

Print
Net iets meer dan honderd jaar geleden, in het voorjaar van 1917, startte de Duitse bezetter met de aanmaak van een fotografische inventaris van het Belgische artistieke erfgoed. Een waar huzarenstuk! België kreunde onder de bezetting, aan het front vonden enkele van de grootste slagen plaats, telkens met vele tienduizenden slachtoffers tot gevolg. Toch kon het inventariseringsproject met succes doorgevoerd worden en werden meer dan tienduizend fotografische opnames gemaakt. Dit resulteerde in evenveel fotografische negatieven – allemaal gemaakt op glazen platen – die in het midden van de jaren twintig door de Belgische Staat opgekocht werden en vandaag in het Koninklijk Instituut voor het Kunstpatrimonium (KIK) in Brussel bewaard worden.

Naar aanleiding van de herdenking van de Eerste Wereldoorlog lanceerde het KIK, met de steun van de Nationale Loterij en in samenwerking met o.a. het Limburgse Provinciaal Centrum voor Cultureel Erfgoed (PCCE), een groot onderzoeks- en tentoonstellingsproject. Alle tienduizend ‘Duitse’ negatieven ondergingen een conservatiebehandeling en werden gedigitaliseerd. Een internationaal team van wetenschappers ging gelijktijdig op zoek naar het verhaal achter de Duitse fotografische inventaris van het Belgische artistieke erfgoed en doorploegde talrijke archieven in binnen- en buitenland. Het resultaat van dit project werd en wordt getoond in verschillende tentoonstellingen in Brussel, Vlaanderen en Wallonië in 2017 en 2018.

Het initiatief tot het fotografisch inventariseren van het Belgisch kunstpatrimonium werd genomen door de Duitse professor in de kunstgeschiedenis Paul Clemen (1866-1947). Na de vernieling van talrijke Belgische steden in augustus en september 1914 kwam Duitsland in een internationaal zeer slecht daglicht te staan. Om hierop een antwoord te bieden had Clemen in het najaar van 1914 een organisatie tot de bescherming van de kunst en architectuur in de bezette gebieden opgericht, de zogenaamde Kunstschutz. Deze organisatie hield zich in de eerste plaats bezig met het artistieke erfgoed in België, omdat er talrijke banden waren met het erfgoed in de voormalige Duitse ‘Rheinprovinz’, een Duitse provincie net ten oosten van België waarover Clemen reeds voor de oorlog de verantwoordelijkheid droeg als ‘Provinzialkonservator’.

In het voorjaar van 1917 richtte Paul Clemen vanuit de ‘Kunstschutz’ een speciale commissie op voor de fotografische inventaris van het Belgische kunstbezit. Zijn interesse was in de eerste plaats wetenschappelijk van aard. Maar Clemen hoopte ook, net zoals de leden van de Algemene Keizerlijke Duitse regering van België, om het beeld van de Duitsers als (cultuur)barbaren bij te stellen.

De commissie voor de fotografische inventaris van het Belgische kunstbezit opereerde vanuit Brussel - waar een centraal coördinatiepunt werd opgericht - en had in elke provincie een ‘Abteilungsleiter’ die de inventarisering in het desbetreffende gebied overzag. In het geval van de provincie Limburg was dit de nog relatief jonge kunsthistoricus Julius Baum (1882-1959). Hij had zich gespecialiseerd in de Duitse laatmiddeleeuwse beeldhouwkunst en was zo reeds voor de Eerste Wereldoorlog onder de aandacht gekomen van Paul Clemen.

Verschillende Duitse fotografen werkten in Limburg, maar slechts een van hen is bij naam bekend. Het gaat om Paula Deetjen, geboren Springmann (1879-1949), de weduwe van een arts uit Heidelberg die in 1915 was omgekomen tijdens gevechten in Verdun. Paula Deetjen had zich reeds voor de oorlog intens toegelegd op de fotografie van erfgoed, in het bijzonder van barokke architectuur uit Zuid-Duitsland en Oostenrijk. Via een gemeenschappelijke kennis werd zij voorgedragen aan Paul Clemen die haar vanaf het najaar van 1917 tot aan het einde van de oorlog talrijke fotografische missies in België liet uitvoeren. Deze brachten haar naar de stadscentra van Hasselt en Sint-Truiden, naar de abdij van Herkenrode, naar de landcommanderij van Alden Biesen en naar het kasteel van Hamal in Tongeren.

De fotografische inventaris van de provincie Limburg is, net als in de andere provincies, niet exhaustief. Voor Limburg zien we een duidelijke voorkeur voor de begijnhoven (Hasselt en Tongeren), de kerken, de kastelen en enkele sites van bijzonder cultuurhistorisch belang zoals de reeds genoemde landcommanderij van Alden Biesen en de abdij van Herkenrode. Eveneens te verwachten zijn de opnames van de romaanse pandgang van de basiliek van Tongeren, van de Codex Eyckensis uit Maaseik en van het doksaal van de Sint-Martinuskerk in Tessenderlo. Deze hadden namelijk reeds voor de oorlog een internationale bekendheid verworven en stonden dan ook zeer waarschijnlijk op een soort van Duitse ‘shortlist’.

Opvallend voor de fotografische inventaris van de provincie Limburg is de duidelijke voorkeur voor laatmiddeleeuwse beeldhouwkunst. Dit ontstond zeer waarschijnlijk onder invloed van Julius Baum zelf. Zo werden de gebeeldhouwde retabels van Opitter, Bocholt en Tongeren uitvoerig gefotografeerd, net als de houten beelden die (onder meer) in de kerken van Neeroeteren, Aldeneik, Bocholt en Tongerlo bewaard worden. Toch wel uitzonderlijk is het feit dat de hoogkwalitatieve kruisigingsgroep uit de Sint-Martinuskerk van Beek niet gefotografeerd werd. Deze was tijdens de eerste Wereldoorlog voor restauratie in Maaseik en ontsnapte daardoor mogelijk aan de aandacht van Julius Baum.

Even opvallend is de uitvoerige aandacht voor het kunstpatrimonium van enkele kleinere dorpen in Tongeren waaronder Vreren, Diets-Heur, ’s Herenelderen en Sluizen. Het lijkt geen toeval dat het kunstbezit van net deze dorpen het onderwerp vormde van het eerste volume van de ‘Oudheidkundige inventaris’ van de provincie Limburg. Dit volume was net voor het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog gepubliceerd door de Limburgse ‘Commissie voor Kunstgebouwen en Natuurschoon’. Waarschijnlijk kende Julius Baum deze publicatie of stond hij in rechtstreeks contact met een of meerdere van de auteurs, al kon dit door archiefonderzoek niet worden bevestigd.

De beelden die Julius Baum samenbracht zijn alleszins van onschatbare waarde voor de studie van het Limburgse erfgoed. In enkele gevallen bestaan de gefotografeerde gebouwen niet langer. Zo is er een opname van de begijnhofkerk van Hasselt die werd verwoest bij een bombardement op 11 mei 1944 en van de Seminariekerk in Sint-Truiden, op haar beurt afgebrand na een blikseminslag op 9 december 1975. In andere gevallen documenteren de Duitse negatieven een kunstwerk voor (een te ver doorgedreven) restauratie of voor het optreden van een beschadiging. Zo is er een opname van een folium uit de Codex Eyckensis waarvan de figuur in het medaillon bovenaan de pagina op een later, onbekend tijdstip werd uitgesneden. Het Duitse negatief is in dit geval zelfs de enige foto van het nog intacte folium!

In de meeste gevallen echter bleef het onderwerp van de foto’s van Paula Deetjen en de andere Duitse fotografen gaaf bewaard. Deze monumenten bepalen tot op heden wat wij – soms dagelijks – zien, maar eigenlijk bepalen zij ook mee wie wij zijn. Het is dan ook te hopen dat de meeste van deze en andere monumenten dit ook de komende honderd jaar nog mogen blijven doen.