Eén gezin op de vier kan niet op vakantie

Print
Eén gezin op de vier kan niet op vakantie

Foto: Marcel van den Bergh/HH

Eén op de drie Europese gezinnen heeft geen budget voor zelfs maar één weekje vakantie buitenshuis per jaar. In België zijn de cijfers iets beter, maar toch kan ook bij ons één gezin op de vier zich geen weekje vakantie permitteren. Daarmee staan we in Europa op de negende plaats in de lijst van 28 EU-lidstaten.

De stranden liggen vol, en steden als Barcelona en Venetië kreunen onder de horden toeristen. Maar voor veel gezinnen is vakantie nog altijd een onbetaalbare luxe. Dat blijkt uit de nieuwste studie van ­Eurostat, de Europese dienst voor Statistiek. Zelfs één weekje vakantie kan er vaak niet af.

Met 26,3 procent van de gezinnen die noodgedwongen thuisblijven, doet ons land beter dan het Euro­pese gemiddelde. De Zweden en de Luxemburgers voeren de lijst aan, terwijl in Roemenië en Kroatië ­vakantie buitenshuis niet is weggelegd voor zes op de tien gezinnen.

De mate waarin een week vakantie financieel haalbaar is, blijkt sterk samen te hangen met de economische situatie van het land in kwestie.

Maar ook de gezinssamenstelling speelt een rol. Huishoudens met twee volwassenen onder de 65 jaar die geen kinderen meer ten laste hebben, staan er in het algemeen het beste voor: driekwart van hen kan een weekje vakantie betalen (23,7 procent kan dat niet). Omgekeerd hebben vooral alleenstaanden met een kind ten laste het moeilijk: de helft (51,8 procent) kan zich geen vakantie buitenshuis veroor­loven.

Toch is er ook goed nieuws: sinds 2014 is het aantal gezinnen in de EU dat niet op vakantie kan, aan het dalen. In 2012 moesten nog vier gezinnen op de tien (39,6 procent) noodgedwongen thuis­blijven, een gevolg van de financiële crisis die de jaren voordien zwaar had huisgehouden.