Handelsbetrekkingen
05/03/'10
Aflevering nr. 1058 - We liepen van de bazaar naar de Süleymaniye-moskee. Zoals overal in Istanboel lagen de kasseien slecht.
De weg liep steil. Om de haverklap werden we door
mensen aangesproken die ons iets wilden aansmeren. Als je
dan iets vriendelijks terugzegt, laten ze je niet meer los. Ze
vragen altijd eerst uit welk land je komt - “België? Geweldig!”
- in welk hotel je logeert, en willen je een bootje verhuren,
naar de beste kebabzaak in Istanboel sturen of naar een
tapijthandel waar alles bijna gratis is...
Een schoenpoetser liep weg toen hij ons zag aankomen.
Behalve mijn vrouw droeg geen van ons schoeisel waarvoor
een dier het leven had moeten laten, misschien dat hij ons
daarom met rust liet?
We volgden ongewild de poetser die over de schouder een
met koper versierde schoenpoetsdoos droeg - je ziet ze overal
in Istanboel. Plots viel uit zijn doos een borstel die over de
straatstenen rolde tot voor de voeten van mijn oudste. Ik was
wat trots dat hij de borstel voor de man opraapte zonder dat
ik hem dat moest vragen.
In plaats van ons te bedanken, ging de schoenpoetser op het
voetpad zitten en begon hij al zijn flesjes en doosjes open
te maken terwijl hij naar de laarzen van mijn vrouw wees.
Vreemd dat hij deed alsof wij hem iets verschuldigd waren.
De man wilde ons moment van verwarring gebruiken om de
schoenen van mijn vrouw te kunnen poetsen zonder dat ze
erom had gevraagd. Ik zei dat we daar geen tijd voor hadden.
De man werd boos, wees naar de spullen die hij uit zijn doos
had gehaald - speciaal voor ons! - en op straat geëtaleerd.
Mijn vrouw keek me vragend aan, mijn jongste was een beetje
bang. Ik riep mijn troepen tot de orde: “Wij zijn die man niets
verschuldigd. Hij speelt toneel, hij is niet echt boos.”
Terwijl we verder liepen, tikte mijn oudste plots op mijn
schouder: “Zou hij misschien die borstel met opzet ‘per
ongeluk’ hebben laten vallen?” Had ik nog niet aan gedacht
- de truc met de borstel...
* * *
We trokken naar Topkapi, het paleis van de sultan. Terwijl
ik een kiekje nam van het brede uitzicht over de Bosphorus,
sloeg mijn vrouw een babbeltje met een Amerikaans koppel.
Mijn vrouw is Californische en dus altijd blij om landgenoten
te ontmoeten. Het koppel kwam uit Florida, de man had
een accent. Hij bleek een Turk te zijn die twintig jaar eerder
naar Amerika was verhuisd en nu zijn vaderland bezocht.
Hij vertelde ons dat hij met een Amerikaanse was getrouwd
en twee zonen had, zo oud als die van ons. De aantrekkelijke
jonge vrouw die hij aan ons voorstelde was zijn nichtje, legde
hij uit.
Het gesprek ging over Amerika en Europa, over de verschillen
tussen de culturen. Hij vroeg me of ik eraan gedacht had een
tapijt te kopen terwijl we in Turkije waren. Moet je echt doen,
raadde hij me aan. Ik vertelde hem dat ik er niets van kende
en me daarom niet aan zo’n avontuur wilde wagen. “Zonde,”
zei hij: “Zo’n tapijt is een geweldige investering. Als je dat in
je eigen land wil kopen, kost het stukken meer.”
We stonden al bijna een uur met die mensen te praten, toen
ik beleefd vertelde dat we het paleis wilden bezoeken - er was
zoveel te zien in Istanboel dat we aan ‘time management’
moesten doen. We namen afscheid.
“Weet je wat?” stelde de man plots voor: “Ik heb een huis
gekocht, maar een paar minuten hier vandaan. Het is net
een museum. Jullie moeten even komen kijken.” Ik bedankte
hem voor de uitnodiging, maar mijn vrouw was nieuwsgierig
geworden, had er wel oren naar.
Om een lang verhaal kort te maken, een half uur later zaten
we drie verdiepingen hoog, in een oud, donker huis in een
oude, donkere straat en werd het ene tapijt na het andere voor
onze voeten uitgerold. “We kunnen alles opsturen. Hoeveel
zou je willen betalen voor zo’n mooi tapijt?” Telkens als ik
de man vertelde dat ik niet geïnteresseerd was, dat hij me zijn
kaartje kon geven in geval ik toch een tapijt wilde, veranderde
hij van onderwerp. Plots stond er nog een andere vreemde
man in de kamer. Ik wilde onmiddellijk weg, maar mijn protesten
vielen in dovemansoren. Mijn vrouw was beschaamd
over mijn brutaal gedrag, maar ik voelde me opgesloten in
dat huis - wilde er geen minuut langer blijven. De kinderen
keken angstig. Het was misschien dankzij hen dat de man ons
eindelijk liet gaan: “Als jullie vanavond langskomen, kunnen
jullie hier in alle rust nog een mooi tapijt kiezen.”
* * *
Mijn vrouw wilde een fluitje van een straatventer kopen. Ik
vertelde haar dat het te duur was en er als een toeristische prul
uitzag. Ik had ergens een muziekzaak gezien, daar zouden ze
wel authentieke Turkse instrumenten hebben.
De muziekhandelaar was niet opdringerig: “Kijk maar rond.
Als jullie hulp nodig hebben, vraag het me maar.” We bliezen
op alle mogelijke traditionele fluitjes en de man hielp ons
om uit het assortiment te kiezen. De zaak was door zijn
overgrootvader gesticht, vertelde hij trots, terwijl hij naar
de oude portretfoto aan de muur wees.
Nadat we enkele fluitjes hadden uitgekozen, maakte hij de
rekening - er ging 25 % af en hij schonk ons ook enkele fluitjes
en een paar vingercimbaaltjes voor mijn vrouw. Daarna zette
hij een cd met Turkse muziek op. We begonnen met z’n allen
in de winkel te dansen. Voorbijgangers op straat keken naar
binnen, dansten en lachten mee. Net zoals ‘Zorba’, dacht
ik... ‘Zorba de Turk’.
* * *
We liepen terug naar de Süleymaniye-moskee en passeerden
dezelfde schoenpoetser. De man liep weer weg toen hij ons
zag aankomen. Opnieuw volgden we hem ongewild en liet
hij zijn schoenborstel ‘per ongeluk’ uit de doos vallen. De
truc met de borstel... Mijn zoon gaf me een knipoog en liet
de borstel gewoon liggen.
Good luck en tot ziens.
Frans BAERT