De sleutel van de moskee
26/02/'10
Aflevering nr. 1057 - Ik was een jaar of zestien toen ik voor het eerst een moskee zag. Het gebeurde in het pittoreske stadje Mostar, in Bosnië. Ik ervaarde het toen als bijzonder verfrissend om
op Europese bodem onverwachts iets uit een totaal andere
cultuur - die van de islam - te ontdekken. Dat was lang voor
het uiteenvallen van Joegoslavië door etnische zuiveringen,
lang voor de aanslagen van Al Qaida, 9/11, fanatisme... Niemand
voelde toen enige dreiging uit die cultuur. Iedereen had
respect voor de wereld van de ander, dachten we.
* * *
Ik werd ’s ochtends wakker door het trambelletje en het
snerpend schuren van tramwielen tegen rails, door het loeien
van de hoorns van de vrachtschepen in de haven en de luide
stem van de ‘muezzin’ die vanuit zijn minaret tot het rituele
gebed opriep.
Terwijl ik de slaap uit mijn ogen wreef, vertelde mijn vrouw
me dat ze op het internet gelezen had dat ‘mijn’ nonkel Bob
overleden was. Mijn laatste oom is een jaar geleden gestorven
- het nieuws dat ik er dan toch nog een bleek te hebben en dat
die nu ook dood was, bracht me in verwarring.
Een uurtje later liepen we rond in de Hagia Sophia, de wereldberoemde
byzantijnse kerk uit 537, die door de Turken
- na de verovering van Istanboel in de vijftiende eeuw - tot
moskee werd verbouwd.
Het was het eerste historische gebouw dat we in Istanboel
bezochten. De mozaïeken van Christus, Maria, apostelen
en christelijke heiligen werden gelukkig door de veroveraar
gespaard en zijn nog altijd van een ontroerende schoonheid.
De kerk draagt de sporen van bezoekers door de eeuwen heen.
Mijn vrouw vond bijvoorbeeld graffiti in runenschrift op een
marmeren tablet. Een bordje legde uit dat het om krabbels
van Vikingen ging - de zogenaamde ‘Halfdan inscriptie’.
In elke hoek en ruimte van het enorme bouwwerk was wel
iets prachtigs te zien of te ontdekken. We hadden geen enkele
moeite om te geloven dat het heiligdom en de kunst van een
goddelijke inspiratie getuigden, die de kennis en het vakmanschap
van architecten en kunstenaars ver had overstegen.
* * *
“Het mooiste in Istanboel is de Blauwe Moskee”, had Irle
ons verteld.
* * *
De Turkse Nobelprijswinnaar Literatuur Orhan Pamuk,
schreef een boek van 350 bladzijden over Istanboel, over
de geschiedenis van zijn stad, over zijn familie, beroemde
en minder beroemde inwoners en bezoekers, straatventers,
prostituees en sultans, de rookpluimen van de bootjes op de
Bosphorus, het bijzondere gevoel in deze stad dat hij ‘hüzün’
noemt, en over de moskeeën: ‘Geen enkel monument domineert
de skyline van Istanboel; de stad dankt haar pracht niet
enkel aan de Süleymaniye Moskee, maar ook aan de Hagia
Sophia, de Beyazit en Yavuz Sultan Selim en andere grote
moskeeën in het hart van de stad.” In het lijstje van Pamuk
is de beroemde Blauwe Moskee vreemd genoeg geen aparte
vermelding waard.
* * *
Om de Blauwe Moskee binnen te raken, hadden we ons
een weg door drukke kleine kamertjes en smalle gangetjes
moeten banen.
Toen we de grote ruimte onder de centrale koepel bereikten,
was mijn jongste diep ontroerd door wat hij zag: “Dit is zó mooi, papa!” Ik trad hem dadelijk bij. Instinctief reisde mijn
blik eerst naar het koepelgewelf en volgde dan de kabels
- waaraan de laaghangende luchters opgehangen werden
- naar beneden, om vervolgens de grenzen van de ruimte af
te tasten alsof mijn ogen bevestiging over de grootte van de
moskee zochten.
En dan gebeurde er iets vreemds. Wat ons eerst zo gepakt had
- ik durf het haast niet te zeggen - liet ons heel snel weer los,
werd plots saai. Kwam dat omdat de beroemde wandversiering
van meer dan twintigduizend tegels met tulpenmotief,
onze aandacht niet zo lang kon blijven houden? Of omdat
de tegels er niet zo blauw uitzagen als we verwacht/gehoopt
hadden? Kwam het omdat de Hagia Sophia ons zo ontroerd
had en dit heiligdom de vergelijking ermee moest doorstaan?
Of omdat de Hagia Sophia nog altijd meer kerk - iets uit
onze cultuur dus - dan moskee was, en dus vertrouwder? Of
door de prachtige buitenkant van de Blauwe Moskee, die te
hoge verwachtingen over de binnenkant had geschapen? De
Hagia Sophia ziet er van buiten minder fraai uit door alle
verbouwingen door de eeuwen heen. Of kwam het door onze
culturele vooroordelen van de afgelopen jaren, gevoed door
moslimterrorisme, wrede toepassingen van de shariawet en
ongelijkheid van man en vrouw?
* * *
We waren door een zijpoort van de Blauwe Moskee binnengekomen.
Nu gebruikten we de ingangspoort om het
heiligdom te verlaten.
Mijn oudste toonde me een kiekje dat hij van de gedecoreerde
ingangsdeur geschoten had. Een zoveelste versiering met geometrische motieven, dacht ik eerst. Maar dan merkte
ik de bol in het midden van de deur op. De meetkundige
patronen stopten niet aan die uitstulping, maar palmden de
bol ook in. Waar had ik dat nog ooit gezien?
Ik liep naar de deur en bestudeerde het motief. De islamitische
kunstenaar had iets merkwaardigs met die deur gedaan,
begreep ik – eigenlijk een reusachtige stap van de verbeelding.
Omdat de lijnen over de bol doorliepen, had hij de klassieke
meetkunde van Euclides ver achter zich gelaten. De deur
bevatte de blauwdruk van een geometrie die het Westen
pas binnen vele eeuwen zelf zou ontdekken: de wiskundige
beschrijving van een wereld waarin de regels op hun kop gezet
worden, waar bijvoorbeeld parallelle lijnen elkaar kunnen
kruisen. Een meetkunde die Einstein later zou nodig hebben
om zijn revolutionaire theorieën over tijd en ruimte te ontwikkelen.
Een meetkunde waarin de wereld van het oneindig
grote en het oneindig kleine elkaar ontmoeten.
* * *
De deur was de sleutel tot een gedachtegoed dat ik hier
nooit verwacht had. Aan de ingangspoort van de Blauwe
Moskee, op de grens tussen wat binnen en buiten was, had
de kunstenaar zijn deur in die sleutel doen passen.
Good luck en tot ziens.
Frans BAERT